Robert Plomp en Wolter rose
Dit artikel is nu opgeslagen in je dashboard.
Bewaar artikelen in je dashboard.

Dagelijks leven

27 juli 2021 door Robert Plomp

Tempelprostitutie een zwart gat voor mij? Ongepaste karikatuur

Op 16 juli schreef dr. Wolter Rose een kritisch stuk over de onderbouwing van mijn theologische opvatting dat homo's en hetero's elkaar in de kerk volledig moeten aanvaarden. Vooral mijn uitleg dat een aantal bijbelteksten over tempelprostitutie gaan is volgens Rose historisch onbetrouwbaar. Ook legt hij een aantal uitspraken die ik deed op blogs en social media onder een vergrootglas. Hoewel het even slikken is als je werk zo gedetailleerd wordt bekritiseerd, ben ik vooral blij dat Rose de tijd heeft genomen om inhoudelijk te kijken naar een deel van mijn overwegingen. Wie mij volgt weet dat ik het ontbreken van inhoudelijke argumenten rondom kerk en homoseksualiteit erg mis. Meestal komt de discussie niet verder dan het onderuithalen van de motieven of bijbelgetrouwheid van de opponent. Daarom ben ik Wolter Rose allereerst dankbaar voor zijn stuk. Op deze manier hoort het gesprek gevoerd te worden, zo komen we verder met het begrijpen van Gods wil rondom onze relaties.

CIP+ logo

Dit artikel is je cadeau gedaan door CIP+ lid Robert Plomp.

Word ook lid

Ik wil graag beginnen bij het einde, waar Rose de vinger legt bij een afsluitende opmerking van een blog dat ik 6 jaar geleden schreef: "Van deze conclusie is bekering nodig. Wie vertelt het de commissieleden in een liefdevol pastoraal gesprek?" Rose heeft gelijk, het woord 'bekering' had ik hier niet mogen gebruiken, en de laatste zin is onnodig sarcastisch. Dat heb ik in een naschrift toegevoegd aan het blog. Wel hecht ik eraan duidelijk te maken dat het 'bekeren' niet ging over de vraag of de commissieleden bekeerde christenen waren, maar over het ingenomen standpunt dat belijdende homo's die een relatie hebben van het avondmaal geweerd moeten worden.

Ook legt Rose de vinger op de scherpe woorden die ik gebruik in mijn reactie op de uitleg die Maarten Klaassen geeft bij de geschiedenis van Sodom en Gomorra. Mijn zeer kritische woorden zijn gericht op de manier waarop Klaassen met behulp van een paar losse woorden en teksten uit Ezechiël homoseksualiteit in algemene zin aan de 'gruwel' koppelt. De scherpe woorden zijn niet op de persoon gericht maar op de redenering. Daarbij gaf ik een uitgebreide inhoudelijke onderbouwing waarom ik deze redenering stellig afwijs. Een onderbouwing die Klaassen in zijn reactie niet heeft weerlegd.

Het stuk begint doelbewust met duidelijk te maken dat ik veel respect heb voor theologen en christenen met een behoudende visie op homoseksualiteit, en noem daarbij hun overwegingen rondom hun visie op een scheppingsorde en het bijbelse huwelijk. Daarbij denk ik aan het congres in 2018 waarbij ik op prettige wijze samenwerkte met theologen en sprekers als dr. Jan Hoek, dr. Maarten Kater, en Herman van Wijngaarden. Uit dat congres kwam een bundel (red. Van Loon, Medema, Mudde, 2019) voort waarvoor zowel Wolter Rose (p33-46) als ik (p47-57) een bijdrage schreven. Het wederzijds respect, en de wederzijdse erkenning van 'voor-' en 'tegenstanders' is van groot belang hierbij, en iets waar ik mij steeds weer voor inzet. Maar alles heeft een grens, en de woorden en theologie van Klaassen zijn wat mij betreft over die grens.

De kern van de kritiek van Rose is dat mijn verwijzingen naar de tempelprostitutie in de oudheid berusten op achterhaalde wetenschappelijke literatuur. Daarbij verwijst hij naar een vermeende groeiende consensus "van een gedeeltelijke of volledige ontmanteling van de 'tempelprostitutie-theorie'". Het eerste probleem ontstaat al direct in de stelling van Rose zelf. Als er sprake is van een 'volledige' ontmanteling dan heeft Rose een punt, maar als die ontmanteling slechts gedeeltelijk heeft plaatsgevonden valt zijn hele betoog eigenlijk al direct om. Tempelprostitutie bestond dan weldegelijk, alleen niet zo grootschalig als lang gedacht werd.

Rose heeft gelijk dat uit vrij recent onderzoek blijkt dat er vroeger veel onder tempelprostitutie verstaan werd dat eigenlijk niets met seks of prostitutie te maken had. Dit kritische onderzoek door wetenschappers als de door Rose aangehaalde Budin (2008) kwam vanuit femenistisch perspectief, en legde bloot dat veel van de beweringen voortkwamen uit een patriarchale of polemische bril waardoor de geschiedenis, vijandige volken, of vreemde godsdiensten werden bekeken. Daarbij werden vrouwelijke priesters en goden snel en gemakzuchtig in een seksueel kader geplaatst, en de gewoonten van vijandige volken gekarikaturiseerd, waardoor de eigen goden en gewoonten superieur leken.

Maar dat betekent niet dat er helemaal geen sprake was van tempelprostitutie. Kelley Rickard (2015) en Marten Stol (2012/2016) bekritiseren Budin op verschillende fronten. Als eerste door voorbeelden van tempelprostitutie te geven, als tweede door Budin te verwijten vanuit een ideologische (feministische) agenda te werken, en als derde door haar definitie te bekritiseren.

Budin schrijft namelijk expliciet dat iets alleen tempelprostitutie genoemd kan worden als er sprake is van de verkoop van je lichaam voor seksuele doeleinden, waarbij de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de godheid toekomt. (Budin, 2008, p3) Wetenschappers die spreken over seksuele handelingen die geen economisch aspect hebben bedoelen volgens haar "heilige seks". (Budin, 2008, p4/5)

Hoewel sommige onderzoekers ook kritisch zijn op het bestaan van deze 'heilige seks' richt het onderzoek zich bij bijvoorbeeld. Budin op het ontbreken van tempelprostitutie in de strikte zin van het woord. Anderen wijzen erop dat een vrouw die vrijwillig deelneemt aan seksuele rituelen in dienst van de cultus in veel gevallen meer vrijheden en zelfbeschikking had dan gewone getrouwde vrouwen, wat wijst op de kracht van deze vrouwen. (Qin/Cooney, 2014, p3)

Het spreekt voor zich dat het voor mijn verwijzingen naar 'tempelprostitutie' niet relevant is of er sprake is van economische transacties. Sterker nog, in de Bijbel wordt de uitvoerder van de seksuele rituelen niet als slachtoffer gezien, maar ook als zondaar. Voor mij waren deze overwegingen een reden om de gedachte dat deze teksten spraken over eenzijdig seksueel misbruik terzijde te schuiven. Tempelprostitutie is voor mij een containerbegrip voor allerlei vormen van seksualiteit in, rondom, of onder de hoede van de afgodscultussen. In de eerder genoemde bundel uit 2019 gebruik ik het woord 'tempelprostitutie' niet eens, maar schrijf ik over 'heidense vruchtbaarheidsheidsrituelen in de afgodentempels' (p49). Ook in de recente literatuur staat het bestaan hiervan niet onder druk.

De historici waar Rose zich op beroept betrekken de Bijbel ook in hun onderzoek. Daarbij zien zij de bijbelschrijvers ook als patriarchale mannen die vijandige goden en volken in een kwaad licht proberen af te schilderen. De Bijbel is één van de belangrijkste geschriften voor tempelprostitutie in de historische wetenschap. Jo Ann Hackett, één van de historici die de historiciteit van de tempelprostitutie betwist, stelt dat bijbelse verwijzingen naar tempelprostitutie of een propagandistische functie vervullen om de rivaliserende cultussen van de God van Israël in discretiet te brengen, of dat de bijbelse verhandelingen over de afgoden moeten worden gezien als metaforen (Hacket, 1989, p73).

De vraag is welke consequentie Wolter Rose trekt uit deze kritiek op de Bijbel van de bronnen waar hij zich op beroept. Betekent dit voor hem ook dat de historische betrouwbaarheid van de Bijbel ter discussie staat, of kiest hij met Hackett voor een metaforische lezing? In het kader van Leviticus 18 wijs ik dan naar bijvoorbeeld de kindoffers aan Molech, waarvoor buiten de Bijbel geen bewijs te vinden is, en die in wetenschappelijke kring dan ook vaak worden ontkend (Frendo, 2018 / Xela, 2013). Moeten we een hoofdstuk als Leviticus 18 dan helemaal als metafoor lezen? Betreft het dan een hoofdstuk waarin de zonden van de Egyptenaren en de Kanaänieten (vers 3,24) vooral symbolisch wordt weergegeven? Voor de exegese en de toepassing van de homoseksuele handelingen in vers 22 maakt dat geen verschil. Ik wil daar niet voor pleiten, maar duidelijk maken dat het ontkennen van de historiciteit van de tempelprostitutie uiteindelijk geen consequenties heeft voor mijn theologie, maar waarschijnlijk meer ten koste gaat van christenen met behoudende opvattingen.

Discussies over hoe de geschiedenis in elkaar gezeten heeft zijn enorm interessant, maar blijven ook oneindig complex en dynamisch. Nooit is onze kennis over het verleden compleet, en altijd 'ten dele'. Kennis over de geschiedenis geeft ons handvatten om de Bijbel beter te kunnen begrijpen, maar de exegese zelf is het belangrijkst. Het bezwaar dat Rose heeft tegen mijn exegese houdt enkel stand als er totaal geen sprake was van tempelprostitutie, en er ook geen andere vormen van seks rondom de afgoden waren zonder economische transacties. Daarnaast komt de historische betrouwbaarheid van de Bijbel onder kritiek te staan door zijn zienswijze, wat vooral de behoudende visie op homoseksualiteit onder druk zet.

Maar van die consensus is geen sprake. Rose haalt bijvoorbeeld een publicatie van Hennie J. Marsmann uit 2003 aan als onderstreping van zijn punt, maar op een andere plaats in hetzelfde boek schrijft Marsmann over goddelijke huwelijken die werden nagespeeld in de cultus (p494). Avaren Ipsen schetst de verbinding tussen de godin Aphrodite en de prostituees van Korinthe (Ipsen, 2009, p153). James William Ermatinger schetst de losbandige Bacchus-feesten die ook in de 1ste eeuw nog plaatsvonden in Rome, waarbij allerlei vormen van seks voorkwamen (Ermatinger, 2012, p95). John Fotopoulos spreekt ook over de onder wetenschappers breed geaccepteerde link tussen Aphrodite en de prostitutie van het Korinthe van de 1ste eeuw (Fotopoulos, 2010, p420). Daarom kan ik met goede reden vasthouden aan mijn opvatting dat de teksten over homoseksuele handelingen in Leviticus, Romeinen en 1 Korinthe gaan over seksuele praktijken rondom de afgoden, en niet over homoseksualiteit in het algemeen.

Als laatste wil ik nog ingaan op de stevige kritiek van Wolter Rose op twee voetnoten in mijn boek Nederlander met de Nederlanders uit 2016. Met deze kritiek insinueert Rose dat mijn werk onbetrouwbaar is. Juist omdat deze kritiek zo persoonlijk is hecht ik eraan deze te weerleggen, iets dat normaal gesproken wellicht niet nodig is als het gaat om voetnoten. In beide gevallen gaat het om voetnoten waarbij ik naast de door Rose bekritiseerde bron een tweede bron plaats die hij niet noemt.

De bron waarnaar ik verwijs in de context van de Romeinenbrief gaat niet over tempelprostitutie maar over de Dionysus/Bacchus-orgies. Zover ik kan zien ligt het bestaan hiervan niet onder vuur bij de door Rose aangehaalde historici, de leeftijd van één van de twee bronnen die ik geef is dan ook minder relevant.

De 2e voetnoot gebruik ik in een alinea van 4 zinnen over Korinthe en de Aphrodite-cultus. Bij deze 4 zinnen plaats ik 5 voetnoten met 7 verschillende verwijzingen naar 5 verschillende publicaties uit 1994, 1990, 2003 en 2015. Alleen de publicatie die Rose eruit pikt is inderdaad gedateerd. In mijn archieven vond ik dat er nog meer bronnen waren in eerdere concepten van mijn boek die ik in het kader van 'too much' verwijderd had. Al met al geloof ik dat mijn bronnenonderzoek robuust is, en ook nu ondanks de kritiek van Rose overeind blijft. Ik vind het niet stijlvol om mijn geloofwaardigheid op de tocht te zetten vanwege één gedateerde bron.

Ook verwijt Rose me dat ik in mijn boek de wetenschappelijke discussie rondom de tempelprostitutie niet vermeld. Daarbij verwijst hij naar Jan Mudde die dit wel doet in zijn publicatie uit 2015 (Mudde, 2015, p48). Juist daarom ben ik blij dat ik naar Mudde kan verwijzen, zijn publicatie is inderdaad diepgravender en gaat in zijn geheel over homoseksualiteit, terwijl dat in mijn boek enkel een deelthema is. Ook heeft zijn studie een wetenschappelijk doel, terwijl ik mijn studie voor een breder publiek schreef waarbij naar mijn mening een diepgravende uitdieping van een historisch sub-thema minder relevant is.

Maar ook Mudde komt uiteindelijk tot de conclusie dat een volledige ontkenning van tempelprostitutie niet houdbaar is, al komt hij vervolgens op exegetische (!) gronden tot een andere conclusie dan ik, om overigens uiteindelijk tot dezelfde eindconclusie te komen, namelijk dat we deze teksten niet toe kunnen passen op monogame homoseksuele relaties nu. Daarmee wordt aangetoond dat deze polemiek rondom de tempelprostitutie uiteindelijk inderdaad niets meer is dan een voetnoot in de discussie.

Wolter Rose stelt: 'Tempelprostitutie wordt een zwart gat waarin Plomp elke bijbeltekst die in het christelijke gesprek over homoseksualiteit een rol heeft gespeeld laat verdwijnen.' Maar de belangrijkste teksten in de discussie over homoseksualiteit betreffen die over de schepping van man en vrouw, Gods wil met het huwelijk, en de manier waarop het huwelijk een beeld is van Christus en de gemeente. Het gaat dan ook om Jezus' woorden over huwelijk en echtscheiding. In het oorspronkelijke antwoord dat ik schreef op Maarten Klaassen, begin ik met de erkenning van het belang van die teksten, en de legitimiteit van het beroep dat behoudende theologen op die teksten doen, waarmee niet gezegd is dat ik het met hen eens ben. En in alle gesprekken over die belangrijke onderwerpen gaat het vanzelfsprekend niet over tempelprostitutie, en verwijs ik daar dan ook niet naar. In de bundel waar Rose en ik beiden een hoofdstuk voor schreven noem ik de tempelprostitutie slechts kort voordat ik overga tot de werkelijke uiteenzetting van mijn visie op basis van de bijbelse onderwerpen die ik zojuist noem.

Maar zelfs bij de discussies over Leviticus 18/20, 1 Korinthe 6 en Romeinen 1 geef ik veel meer argumenten dan enkel die tempelprostitutie. Daarbij verwijs ik naar het Hebreeuws en het Grieks, en de manier waarop die zich tot elkaar verhouden in combinatie met de Septuagint, ik verwijs naar de bijbelse context van de hoofdstukken, en ik bespreek het woord 'gruwel' en de manier waarop dit gebruikt wordt in het Oude Testament, en de Torah in het bijzonder. De stelling dat de tempelprostitutie een 'zwart gat' is waarin ik alles laat verdwijnen vind ik dan ook een ongepaste karikatuur. Een van de belangrijkste redenen voor mij om te pleiten voor volledige aanvaarding van homoseksuele relaties ligt namelijk in het gebod dat Christus ons geeft, en waarvan Paulus ons leert dat het de bril moet zijn waardoor wij naar elke wet moeten kijken. De christelijke ethiek wordt ten diepste daardoor gekenmerkt dat wij in alle beperkingen die wij stellen voor onze naaste, en alle ruimte die wij hen willen geven, gedreven moeten worden door de vraag hoe wij hen kunnen dienen en liefhebben.

CIP+ logo

Christenen die meer diepgang willen kiezen voor CIP+

Je las net een gratis CIP+ artikel. Meld je aan en start je gratis maand.

Start je gratis maand

Praat mee

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen

Reacties

Een weg voor de chr. kerk om te gaan?

We lezen niet in de Bijbel, dat God de weg opent voor, laat staan wijst naar een homorelatie. Vanwege het ontbreken van zo’n positief woord krijgen veel christenhomo’s er geen vrede mee, anderen wel.

Kunnen we ELKAAR hierin vinden, dat we GEEN homorelaties zullen (in)zegenen en daarmee goedkeuren, maar tegelijk dat we iemands homofiele levenswijze NIET op zichzelf zullen beoordelen, maar altijd in relatie tot het geheel aan gedragingen, die de Heer ONS ALLEN voorhoudt?

K
Zegenen is niet goedkeuren. Zegenen is toewensen. Al is het wel weer zo dat in de kerk het burgerlijk huwelijk wordt bevestigd door inzegenen. Ook wordt er nog wel weer onderscheidt gemaakt tussen inzegenen, wat goedkeuren zou betekenen en zegenen, wat Gods nabijheid toewensen inhoudt. Een goede column over dit onderwerp: https://www.vrijzinnig.nl/actueel/column/item/column-zegenen-of-inzegenen.html
Toon meer antwoorden (2)
Toon meer reacties (3)