Willem Ouweneel

God

17 januari 2020 door Willem J. Ouweneel

De katholieke en bijna oud-katholieke Willem Ouweneel

Wij kennen in Nederland het bijzondere fenomeen van de Oud-Katholieke Kerk. Vorige week zaterdag heeft dr. Joris Vercammen, de aartsbisschop van dat kleine kerkgenootschap, die ik tamelijk goed ken, in Utrecht zijn functie neergelegd. Ik was uitgenodigd, maar kon helaas niet bij de plechtigheid aanwezig zijn. Maar een andere Willem Ouweneel (1668–??) heeft wel een rolletje gespeeld in de tijd van het ontstaan van die kerk, en wel in Berkel & Rodenrijs.

CIP+ logo

Dit artikel is je cadeau gedaan door CIP+ lid Willem J. Ouweneel.

Word ook lid

Al eind zeventiende eeuw verzetten veel rooms-katholieken zich tegen de centrale macht van Rome. Onder elkaar hadden ze daar ook veel onenigheid over. Dat kwam in Nederland trouwens mede door hun onderdrukte bestaan dat zij ‘dankzij’ de gereformeerde overheersing leidden in hun schuilkerken en het ontbreken van voldoende pastoors. Maar het Roomse centralisme was een hoofdoorzaak van de problemen. In 1702 werd de Utrechtse bisschop Petrus Codde (1648-1710) door de paus geschorst, en later afgezet, ondanks de protesten van veel katholieken. Pas in 1723 benoemde het kapittel (zeg maar: het bestuur) van het bisdom Utrecht een nieuwe bisschop, pastoor Cornelis Steenoven (1661-1725) uit Amersfoort. Let wel, niet de paus deed dat, maar het kapittel! Dat was gebaseerd op een oud-kerkelijke gewoonte, maar het ging wel dwars tegen het centralisme van Rome in. De meeste katholieken in het bisdom bleven dan ook trouw aan Rome; de aanhangers van Steenoven gingen nu als oud-katholieken definitief een eigen weg.

Ik weet niet hoe het deze rebellerende naamgenoot Willem Ouweneel verder is vergaan, behalve dan dat zijn nageslacht rooms bleef en niet oud-katholiek werd.

Een belangrijke rol in het ontstaan van de oud-katholieke beweging speelde het ‘jansenisme’, een protestbeweging binnen de kerk die genoemd was naar de rooms-katholieke theoloog Cornelis Jansen (1585-1638). Diens leer werd bijvoorbeeld ook aangehangen door de grote Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662). Pastoor Nicolaas Benschop, die van 1670 tot 1710 pastoor van Berkel & Rodenrijs was, was zo’n aanhanger van het jansenisme. Onder zijn invloed ontstond in die plaats een groepje ‘jansenisten’. Zijn opvolger Adrianus van Dort, die van 1710 tot 1723 pastoor in Berkel was, was een van de door Codde gewijde priesters en eveneens jansenist. In 1712 zwoer hij echter het jansenisme af en bracht de afvalligen terug in Rome’s schoot. Een stuk of zeven opposanten, van wie Willem Ouweneel de leider was, bleef het jansenisme echter trouw.

Onder de opvolger van Van Dort, pastoor Joannes Baptista van Elsacker (1723-1762), roerden die jansenisten zich weer sterk. Tijdens de bouw van een nieuwe katholieke kerk (ca. 1727) riepen Willem Ouweneel en consorten uit dat zij die nieuwe kerk zouden overmeesteren en dat zij de pastoor, die zij een ‘meinedige’ en ‘landverrader’ noemden, uit de pastorie zouden zetten. In die tijd bleken Willem en zijn vrienden wel eens ‘afvallige’ diensten van de jansenisten (zeg maar: de oud-katholieken) bij te wonen. Daarom zag pastoor Van Elsacker zich genoodzaakt deze mensen de sacramenten te weigeren. Toen de oud-katholieke aartsbisschop Steenoven een keer in de omgeving op bezoek kwam (1729), ontvingen de opposanten bij hem het zogenoemde ‘vormsel’.

In februari 1730 ontving de pastoor door middel van de gerechtsbode van het ambacht Berkel een schrijven, getekend door Willem Ouweneel en de zijnen, waarin gevraagd werd waarom de pastoor weigerde hun de sacramenten toe te dienen. De pastoor antwoordde dat de klagers niet aan de regels van de kerk voldeden (namelijk door van afvalligen de sacramenten aan te nemen). Daarop richtten de opposanten op 8 mei 1730 een rekest ‘aan de Ed. Achtb. Heeren en gesworens van Berkel’, waarin zij zich over de pastoor beklaagden en het burgerlijk bestuur verzochten in te grijpen. De pastoor schreef aan datzelfde bestuur dat dit een intern-kerkelijke aangelegenheid was en dat de Achtbaren van Berkel het rekest daarom maar gewoon terzijde moesten leggen. Zo werd er een tijdje heen en weer geschreven, waarbij beide partijen voet bij stuk hielden.

In ieder geval is het voor zover mij bekend de eerste keer geweest dat een Ouweneel een rol speelde in kerkelijke strijd, zij het een niet erg succesvolle.

Op 11 april 1731 wendden ‘de opstandige Willem Ouweneel cum suis’ zich zelfs tot de Ed. Mog. Heeren Staten-Generaal van Holland & Westvriesland te Den Haag om de pastoor aan te klagen. Intussen deden echter andere parochianen, een kleine vierhonderd (!), een goed woordje voor hun pastoor bij dezelfde overheid. Dat en de krachtige verdediging van de pastoor besliste de zaak; de kleine groep opposanten moest bakzeil halen en Van Elsacker wist tijdens zijn verdere pastoraat de hele gemeente van jansenistische smetten te zuiveren. In een latere brief beschreef hij ‘hoe hij in de jaren 1730 en 1731 moeielijkheden had gehad met 7 jansenisten, die hem de Sacramenten hadden gevraagd, en hoe hij bij zijne weigering is gerust gesteld door den raadpensionaris van Holland, Simon van Slingelandt’.

Ik weet niet hoe het deze rebellerende naamgenoot Willem Ouweneel verder is vergaan, behalve dan dat zijn nageslacht rooms bleef en niet oud-katholiek werd. In ieder geval is het voor zover mij bekend de eerste keer geweest dat een Ouweneel een rol speelde in kerkelijke strijd, zij het een niet erg succesvolle.

Nog één dingetje weet ik van deze naamgenoot in Berkel & Rodenrijs te vertellen, en wel dat een van zijn beroepen dat van ‘turfmeter’ is geweest. Dat was een man die de hoeveelheid afgegraven turf moest meten om aan de hand daarvan de belasting vast te stellen die de turfspitter moest afdragen aan de ambachtsheer. Willem was er één van vier. Het turfmetersambt was blijkbaar niet erg aantrekkelijk, want bij de eedaflegging werd vastgesteld dat de benoemde mannen niet langer dan twee jaar wilden fungeren en dan nog tegen een vergoeding van ‘dertig stuijvers s’daags’ (wat toch nog het voor die tijd forse bedrag van 470 gulden per jaar opleverde). Vermoedelijk was het baantje niet aanlokkelijk omdat er al jaren misstanden bestonden rond de ‘turftienden’, een belasting die toch alleen maar de ambachtsheer ten goede kwam. Nou ja, ik hoop dat Willem er toch nog enige lol aan heeft beleefd…

CIP+ logo

Christenen die meer diepgang willen kiezen voor CIP+

Je las net een gratis CIP+ artikel. Meld je aan en start je gratis maand.

Start je gratis maand

Start het gesprek

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals
Krijg volledige toegang tot CIP.nl. Start je gratis maand.