Willem Ouweneel

God

06 september 2019 door Jeffrey Schipper

Wat hebben boerenzwaluwen met de vervangingstheologie te maken?

Het is 6 september, en op het platteland kun je de boerenzwaluwen alweer hun koffers zien pakken! Ze doen me denken aan dit fraaie citaat van een Groninger boer: ‘Er zit geen zwaluwnest aan een Afgescheiden kerk, dus is het ook geen huis Gods’. Hij dacht daarbij aan Psalm 84:4: mus en zwaluw vinden een woonplaats in het huis van God. Wat de boer bedoelde was dat kerkgebouwen zo oud moeten zijn dat er zwaluwen in het gebinte nestelen; anders verdienen ze niet de benaming ‘huis Gods’. En in dat geval verdient het gezelschap dat daarin samenkomt, natuurlijk niet de naam Gemeente Gods. De kerken van de Afgescheidenen (om over Evangelicalen maar te zwijgen) zijn moderne bouwsels, waarin boerenzwaluwen niet verkiezen te wonen; die geven de voorkeur aan heel oude kerken (én aan dito boerderijen natuurlijk – vandaar de naam).

CIP+ logo

Dit artikel is je cadeau gedaan door CIP+ lid Willem J. Ouweneel.

Word ook lid
De christelijke kerk was het Israël van de nieuwe tijd; daarom begonnen in diezelfde eeuw ook de maatregelen tegen de Joden, die immers bleven volhouden dat zij ‘Israël’ waren.

Dit lijkt mij een staaltje onvervalste vervangingstheologie. Immers, de benaming ‘huis van God’, die in het Oude Testament betrekking heeft op de tempel te Jeruzalem, wordt hier toegepast op het christelijke kerkgebouw. Deze gewoonte is ontstaan in de vierde eeuw. Toen keizer Constantijn de Grote in 313 n.Chr. godsdienstvrijheid afkondigde en het christendom begon te begunstigen, werd het Romeinse Rijk de facto een christelijk rijk; dit was nog duidelijker het geval toen keizer Theodosius in 380 het (Niceaanse) christendom tot staatsgodsdienst verhief. In mijn boek Het Israël van God leg ik uit hoe dit tot de opkomst van de vervangingstheologie leidde: men keek niet langer uit naar de komst van het Messiaanse rijk (dat zou aanbreken bij de wederkomst van Christus), maar geloofde dat dat rijk nú al was aangebroken en gestalte kreeg in het gekerstende Romeinse Rijk. De christelijke kerk was het Israël van de nieuwe tijd; daarom begonnen in diezelfde eeuw ook de maatregelen tegen de Joden, die immers bleven volhouden dat zij ‘Israël’ waren. De meest centrale kerk van het (West-)Romeinse Rijk werd de in diezelfde eeuw gebouwde St. Pieter te Rome. Zij nam de plaats in van de sinds lang verwoeste tempel te Jeruzalem. Later kreeg elke rooms-katholieke kerk de benaming domus Dei, ‘huis van God’. Een fraai voorbeeld is de Hartebrugkerk in Leiden met de Latijnse spreuk boven de ingang: Hic Domus Dei est et Porta Coeli (‘Dit is het huis van God en de poort van de hemel’, vgl. Gen. 28:17).

De hervormers begrepen wel dat de benaming ‘huis van God’ eerder op de Gemeente sloeg dan op het gebouw waar zij samenkomt (vgl. vooral 1 Tim. 3:15, ‘… het huis van God, dat is de Gemeente van de levende God’). Zo goed als zij echter de vervangingstheologie bleven aanhangen, zo bleven zij ook spreken over het kerkgebouw als een ‘huis Gods’ of als ‘bedehuis’ (Jes. 56:7; Matt. 21:13). Zo werden opnieuw de kenmerken van de Jeruzalemse tempel overgeheveld op het christelijke kerkgebouw; Jes. 56:7 wordt vervuld gezien in de christelijke kerk.

Hoe dan ook, zolang we zo’n oeroud, eerbiedwaardig kerkgebouw een ‘bedehuis’ of een ‘huis Gods’ blijven noemen, zijn we niet vrij van de vervangingstheologie.

Deze parallel met de tempel komt duidelijk tot uiting in de bouw van onze oude dorps- en stadskerken, die van vóór de Reformatie dateren. In de meest typerende vorm treed je aan de westkant via de toren de kerk binnen en loop je door het middenpad in de richting van de zonsopgang. Aan het eind van dat pad kom je in het ‘koor’ (het priester- of hoogkoor), dat regelrecht is afgeleid van het ‘heilige’ in de joodse tempel, waar alleen de priesters mogen komen; het koor heet ook wel sanctuarium (‘heiligdom’). (In de tempel was het trouwens andersom: de ingang was naar het oosten gericht.)

Er gaat wel een zekere betovering van zulke oude kerken uit. Ik heb in minstens dertien van zulke oude dorps- of stadskerken wel eens gepreekt (tijdens gewone of speciale diensten); zo heb ik diverse malen gepreekt in de kerk die de naam heeft het oudste nog bestaande kerkgebouw van Nederland te zijn: op een terp in Vorchten, aan de Gelderse kant van de IJssel. Er wordt beweerd dat het oudste (tufstenen) deel van dit gebouw al van vóór 900 zou stammen; dat zou betekenen dat er zo’n zeven eeuwen de roomse mis is opgedragen, en pas sinds vier eeuwen de Reformatie zich er genesteld heeft. En vóór 900 – wie weet hoeveel eeuwen – heeft men op diezelfde plek vermoedelijk Wodan, Donar en Freija vereerd.

Hoe dan ook, zolang we zo’n oeroud, eerbiedwaardig kerkgebouw een ‘bedehuis’ of een ‘huis Gods’ blijven noemen, zijn we niet vrij van de vervangingstheologie. En om op onze Groningse boer terug te komen: wie de eretitel ‘huis Gods’ beperkt tot kerken waar boerenzwaluwen nestelen, is blijkbaar een héél groot minnaar van de (katholieke of protestantse) ‘volkskerk’.

En toch begrijp ik het wel een beetje. Ik heb slechts acht voorouders in de Vergadering van Gelovigen, en maar liefst zo’n 15.000 in de Nederlands Hervormde (vóór 1816 de Nederduits Gereformeerde) Kerk. Dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Als ik in zo’n oeroude dorps- of stadskerk preek, ben ik weer even puur ‘hervormd’. Sinds 2004 zie ik eigenlijk ook geen reden meer waarom ik niet zou terugkeren in de schoot van de hervormde ‘moederkerk’. Maar ergens zou ik dat niet eerlijk vinden: dán terug naar de rooms-katholieke ‘moederkerk’ (waartoe immers twee miljoen van mijn voorouders behoorden!). Maar dáár zou ik me pas thuis voelen als de paus weer gewoon bisschop onder de bisschoppen werd, als de Mariaverering werd ingedamd, en nog een paar van die dingen. Wat me trouwens in de ‘volkskerken’ het meest tegenstaat, is de enorme massa papieren leden, de meelopers, of beter: de thuisblijvers. En daaraan kun je dan toch weer zien dat ik diep van binnen een ‘afgescheiden’ hart heb. We doen het er maar mee…

CIP+ logo

Christenen die meer diepgang willen kiezen voor CIP+

Je las net een gratis CIP+ artikel. Meld je aan en start je gratis maand.

Start je gratis maand

Reacties

H
Wat fijn om dit stuk te lezen, weer nieuwe inzichten gekregen!
T
Ik sluit niet uit dat het grootste deel van de Nederlandse bevolking Rooms-katholieke voorouders heeft. Want Nederland was naar mijn inschatting van 800 tot minstens 1550 een Rooms-katholiek land.
REAGEER
Elk gebouw belichaamt afscheiding, institutionalisering en vervanging. Een gebouw is een kenmerkende omsluiting en tegelijk afsluiting van een territorium. Dat was al de functie van de tempel en al die stenen "godshuizen" voordien en nadien. Die stapeltjes stenen versterkten het onderscheid; de afscheiding. Daarom ben ik zo blij dat de Gemeente geenszins een bouwwerk van stenen is, maar van mensenzielen. En dat God wel degelijk het oude vervangen heeft door het nieuwe; het oude stoffelijke beeld heeft vervangen door de Geestelijke realiteit.
REAGEER
Toon meer reacties (3)

Praat mee

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
Vakanties
Hier adverteren?
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals

Beluister onze Podcast!

iTunes Stitcher Spotify