Willem Ouweneel

God

04 januari 2019 door Willem J. Ouweneel

Ik had een zeer bevindelijke oudoom

Vorige week was het 133 geleden dat mijn oudoom Huibert de Bruin (1885-1959) werd geboren. Hij zou in de Alblasserwaard, opgegroeid tot boerenknecht, enige naam maken als godvruchtig gezelschapsman.

Bij oom Huibert en tante Klaasje kwam ik als kind op bezoek met mijn ouders. Het waren twee kinderloze mensen in een eenvoudig huisje, waar tante bedrijvig het huishouden verrichtte. Klaasje was een van die vrouwen die in die tijd nog de hele dag een muts droegen, terwijl oom Huibert altijd in stemmig zwart gekleed ging. Wat mijzelf betreft: het is binnen de familie mijn intiemste ontmoeting met de bevindelijk gereformeerden geweest.

CIP+ logo

Dit artikel is je cadeau gedaan door CIP+ lid Willem J. Ouweneel.

Word ook lid
Hoe kan God een ‘welmenend aanbod van genade’ – zoals het in die kerkstrijd heette – richten aan degenen die Hijzelf bij voorbaat al verworpen heeft?

Later begreep ik dat Huibert de Bruin op vertrouwde voet stond met allerlei zeer bevindelijke afgescheiden predikanten en de diensten regelde in de ‘vrije evangelisatie’ op Groot-Ammers. Hij kende al het ‘lieve volkje’ (de ware bekeerden) in de wijde omtrek, correspondeerde met hen en was onder hen een man met een zeker gezag. Toen dan ook in 1951 op het dorp een Gereformeerde Gemeente werd gesticht – in de zwarte schuur naast het veilinggebouw bij het Schoonhovense Veer – werd Huibert een van de twee ouderlingen; de ander was oud-schipper Aart Labee (1874-1968, overgrootvader van de huidige GerGem-predikant B. Labee). Twee jaar later vond de landelijke scheuring in de Gereformeerde Gemeenten plaats; de gemeente op Groot-Ammers ging met de radicaalste richting mee, achter dr. C. Steenblok aan: de ‘Gereformeerde Gemeenten in Nederland’.

Waar ging dat over? Echte calvinisten zijn ervan overtuigd dat God van alle eeuwigheid af sommige mensen tot eeuwige gelukzaligheid en de overigen tot eeuwige verdoemenis heeft voorbestemd. Als nu sommigen bij voorbaat voor de hel zijn bestemd, méént God het dan wel als Hij in het evangelie alle mensen de verlossing aanbiedt!? Hoe kan God een ‘welmenend aanbod van genade’ – zoals het in die kerkstrijd heette – richten aan degenen die Hijzelf bij voorbaat al verworpen heeft? Dat kán ook niet, zeiden ome Huibert en zijn medestanders. Het evangelie is alleen bestemd voor de uitverkorenen, opdat zij tot bekering komen en daadwerkelijk aan het heil deel krijgen.

Een zekere ijzeren logische consequentie kan de ‘Gereformeerde Gemeenten in Nederland’ niet ontzegd worden – maar het is er tegelijk een bewijs van dat jede Konsequenz zum Teufel führt. En dat zeg ik met verder alle respect voor ome Huibert. Hij is nog zeven jaar, tot zijn dood, ouderling van die afgescheiden Gereformeerde Gemeente gebleven. De mensen kenden hem als eerder streng dan beminnelijk. Zo moest hij niets van de SGP hebben; toen het SGP-Kamerlid ds. P. Zandt (1880-1961) eens een ‘tijdrede’ op ‘Ammers’ zou komen houden, heeft Huibert zich daar krachtig (maar tevergeefs) tegen verzet, want hij was fel tegen ‘polletiek in de kerk’.

'Ik verloor een oogenblik mijzelven, de menschen en de kerkmuren. Ik heb er nog veel de zoete nasmaken van gehad, hoewel ze nogal eens om het hoekje kwamen.'

Ome Huibert schijnt maar één keer in zijn leven ‘aangegaan’ te zijn aan het Heilig Avondmaal, en wel bij de vermaarde ds. Jozias Fraanje (1878-1949) van de Gereformeerde Gemeente te Barneveld. Mijn oudoom schreef: ‘... den 25 Augustus [1941; hij was toen 55] mogt ik nog verwaardigd worden voor het eerst in mijn leven hier op aarde deel te mogen nemen aan dat Heilig en Goddelijk sacrament van het Heilig Avondmaal. Het lag wel niet los bij mij, maar van alle kanten kon het niet als dat de Heere mij over alles heen kon zetten, maar dat kon ik voor een ander wel geloven, maar voor mijzelven niet, en dan nog een gemis omdragende aan die bewustheid. Maar met de tweede tafel werd die dierbare Borg mij te sterk en kreeg [ik] de af- en indrukken van de waarde van Zijn lijden op mijn ziele en ging Hij met mij terug [naar] waar Hij mij dierbaar en waar Hij waarde voor mij gekregen had, en daar kon ik niet van tussen. Wat mogt [ik] er toen makkelijk aangaan, niets van mij in aanmerking komende dan alleen Zijn Borgtochtelijk werk. O, dat kan ik nooit uitdrukken. Ik verloor een oogenblik mijzelven, de menschen en de kerkmuren. Ik heb er nog veel de zoete nasmaken van gehad, hoewel ze nogal eens om het hoekje kwamen. Maar nu is het weer opgeteerd en komt het gemis weer naar vooren. Maar tog hebben die Heilige inzettingen Godes nooit zooveel afgedrukt en nagelaten dan nu...’

In een van zijn laatste bewaard gebleven brieven (30 okt. 1952) legt oom Huibert uit hoe hij ertoe gekomen was het ambt van ouderling in de pas opgerichte Gereformeerde Gemeente aan te nemen. Ik geef het citaat niet alleen omdat het ‘tale Kanaäns’ is, maar ook omdat ik het aanvaard als een diep ernstige overweging: ‘Ik heb er zeer tegen aangezien om het te aanvaarden, maar heb het, altans [ik] mogt verwaardigd worden het te mogen kunnen en willen op- en overgeven voor die hooge Majesteit. Vanaf het vorige jaar, toen [de oud-gereformeerde] ds. [Marinus] van de Ketterij [1905-1988] voorsloeg, als wij gelegenheid hadden, voor ons te komen spreken, ben ik het nooit kwijt geweest met alles wat erop kwam te doen, en kreeg gedurig onderwijs in de voorbeelden uit de Heilige Schrift van degenen die zich terugtrokken, ook uit het lied van Debora aangaande gedeelten van Ruben [Richt. 5:15] en ook de vijf dochters van Sallum die steenen aandroegen met de tweede tempelbouw [Neh. 3:12]. De laatste boodschap was een vraag: ‘Hoelang zult ge u terugtrekken, gij afkeerige dochter?’ [Jer. 31:22] Toen was het genoeg ook en heb [ik] de benoeming als ouderling aangenomen [daar ik het] niet meer van mij durfde zetten vanwege de Hoogheid des Heeren die daarin meekwam, hoewel totaal onbekwaam in mijzelven waarnemende, maar ik [mogt] verwaardigd worden om van mijzelven af te zien op Hem, die Eeuwige Volheid. Dan kan het met alles wat eraan verbonden is en dat mag in deze tijden nog wel gebeuren...’

CIP+ logo

Christenen die meer diepgang willen kiezen voor CIP+

Je las net een gratis CIP+ artikel. Meld je aan en start je gratis maand.

Start je gratis maand

Reacties

Gz 205

Zalig, zalig, niets te wezen

in ons eigen oog voor God,

eigen zin en lust te vrezen,

steeds te rusten in ons lot,

need'rig, kinderlijk en stil

ons te voegen naar zijn wil.



Niks mis mee hoor. Alleen wij kennen dit niet meer zo.
REAGEER
J
Heel herkenbaar te verhalen die je schrijft, ik heb in die tijd gewerkt in Gouda waar dit heel veel voort kwam , en met collega's gewerkt die uit deze gezinnen kwamen,grts Marrie
REAGEER
Toon meer antwoorden (1)

Praat mee

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
Vakanties
Hier adverteren?
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals

Beluister onze Podcast!

iTunes Stitcher Spotify
Jeffrey vond Ds. De Heer een ketter...