Dr. Jaco van der Knijff
Dit artikel is nu opgeslagen in je dashboard.
Bewaar artikelen in je dashboard.

God

08 juni 2021 door Dr. Jaco van der Knijff

Losse psalmversjes plukken: het is er gaandeweg ingeslopen

We zijn in onze erediensten gewend geraakt aan het zingen van losse versjes die passen bij een preek. We zouden veel meer moeten denken vanuit de gehele psalm en het hele lied, stelt dr. Jaco van der Knijff in De Waarheidsvriend.

De Waarheidsvriend is het huisorgaan van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland.

Het is er gaandeweg ingeslopen in onze Nederlandse gereformeerde traditie: een predikant kiest uit het psalmboek coupletten die thematisch aansluiten bij zijn preek. Dus, zwart-wit: de preek gaat over de goede Herder en daarom kiest de voorganger Psalm 23:1, Psalm 80:1 en Psalm 119:88. Eenvoudigweg omdat in die coupletten (ik ga in dit artikel uit van de berijming van 1773) het woord ‘herder’ voorkomt.

Historisch gezien is de gangbare praktijk vreemd ten opzichte van de kerkliedtraditie waarop ons psalmboek teruggaat en de lijn waarin een liedboek als Weerklank staat. En hoe werden de psalmen daar gezongen? In hun geheel en allemaal.

Deze wijze van omgaan met ons psalmboek is zo ingeburgerd dat niemand meer opkijkt van een psalmbord waarop alleen maar losse verzen prijken: Psalm 42:1, Psalm 84:6, Psalm 124:1, Psalm 130:3. We zingen dan ook geen psalm, maar een ‘zangversje’, zoals sommige predikanten dat aanduiden.

Inmiddels kunnen we constateren dat in gemeenten waar de bundel Weerklank (WK) zijn intrede heeft gedaan, deze praktijk van het versjes kiezen geruisloos wordt voortgezet als er gezangen worden opgegeven. We zingen WK 45:1 en 3, WK 147:1 en 3 of WK 167:1, 2 en 4. Hoe begrijpelijk deze praktijk ook is, er kleven bezwaren aan. Ik noem historische, inhoudelijke en liturgische.

Calvijn en Luther
Historisch gezien is de gangbare praktijk vreemd ten opzichte van de kerkliedtraditie waarop ons psalmboek teruggaat en de lijn waarin een liedboek als Weerklank staat. Het psalmboek hebben we, zoals bekend, te danken aan de inzet van Calvijn. Deze liet dichters berijmingen van de bijbelse psalmen maken en voerde in Straatsburg en Genève de kerkzang in. En hoe werden de psalmen daar gezongen?

In hun geheel en allemaal. Er was geen sprake van dat van Psalm 1 alleen couplet 1 en 2 werden opgegeven, en dat van Psalm 2 alleen vers 6 en 7 klonken. Nee, heel Psalm 1 stond op het rooster, en heel Psalm 2. Alleen bij de lange psalmen (bijvoorbeeld Psalm 18 en 78) werd er op een of meer plekken een knip gezet, de ‘pauze’. Maar verder klonken er complete psalmen, in 25 weken het hele psalmboek.

Al versjes zingend kunnen we zomaar wegraken bij de onberijmde psalmtekst.

Voor de liedtraditie van iemand als Luther moeten we het ons niet anders voorstellen. Zijn bewerking van Psalm 130 (‘Aus tiefer Not’) of zijn lied bij Psalm 46 (‘Ein feste Burg’) was bedoeld als geheel en klonk ook als zodanig. Het beste bewijs daarvoor is dat in uitgaven uit die tijd de verzen niet genummerd zijn. De eerste strofe heeft een melodie en de volgende coupletten volgen ongenummerd. Je kon niet eens vers 4 van ‘Ein feste Burg’ opgeven. Datzelfde geldt trouwens voor het psalmboek van Genève: ook dat kent geen versnummering. De berijmingen van Marot en De Bèze worden als eenheid, een gedicht gepresenteerd. En ook in het psalmboek van Dathenus in ons land zijn de coupletten ongenummerd.

Onberijmde tekst
Historisch gezien is er dus alle reden om te denken vanuit hele psalmen en hele liederen. Daar komt een inhoudelijk argument bij. Al versjes zingend kunnen we zomaar wegraken bij de onberijmde psalmtekst.

Een voorbeeld is Psalm 81. Couplet 12 (‘Opent uwe mond’) is geliefd als los versje. Wie naar de onberijmde tekst gaat, ziet echter dat dit de berijming is van slechts een halve zin in Psalm 81:11. De Heere is daar in een lange godsspraak aan het woord en het stukje over de geopende mond is maar een klein fragment daaruit (sowieso is hier in de berijming erg veel bij bedacht). Dat verband ben je helemaal kwijt als je alleen vers 12 zingt.

Er is nóg een inhoudelijk probleem: veel strofen in de berijming haken bij elkaar aan. Die kun je in feite niet los zingen. Neem bijvoorbeeld Psalm 119:2 (‘Die, wars van ’t kwaad’): het gaat hier over degene die in vers 1 genoemd is. De zin in de eerste twee regels van couplet 2 heeft dan ook geen werkwoord.

Doordat er hele psalmen gezongen werden, waren er ook geen verzen die nooit opgegeven werden omdat ze bij geen enkele preek pasten.

Verkondiging en gebed
Dat brengt me bij het liturgische bezwaar tegen ‘versjes plukken’. De gedachte achter deze praktijk is namelijk vaak dat de psalmverzen en liederen die de gemeente zingt, moeten aansluiten bij de inhoud van de preek. Gechargeerd: gaat het in de preek over de storm op zee, dan komen in alle gekozen verzen de wilde zee en de woeste baren voor. En dan kun je van Psalm 65 alleen vers 5 gebruiken en van Psalm 66 alleen vers 3. De concordantie op de berijmde psalmen biedt daarbij veel gemak.

Maar is dat de (enige) functie van de gemeentezang: illustratie bij het gesproken woord? Het lied van de gemeente is toch veel meer? Het is belijdende verkondiging als de gemeente Gods grote daden bezingt, het is gemeenschappelijk gebed als de gemeente zingend haar schuld belijdt of God haar nood klaagt. Op een andere manier dan in de preek, maar niet minder belangrijk komt in het zingen van de psalmen het Woord aan het woord. Daar mag plaats – en tijd – voor ingeruimd worden.

In principe kan het redelijk losstaan van waar het in de preek over gaat. Opnieuw Calvijn: het rooster dat in Genève in gebruik was, gaf voor elke dienst gewoon aan welke psalmen aan de beurt waren, ongeacht waar de preek over zou gaan. En doordat er hele psalmen gezongen werden, waren er ook geen verzen die nooit opgegeven werden omdat ze bij geen enkele preek pasten.

Dr. Jaco van der Knijff is muziekredacteur bij het Reformatorisch Dagblad en docent liturgiek aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Lees de volledige tekst van dit artikel in De Waarheidsvriend van donderdag 3 juni 2021, of download de gratis pdf.

Beeld: Reformatorisch Dagblad, Anton Dommerholt

Klik hier om abonnee te worden van De Waarheidsvriend!

Praat mee

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen

Reacties

G
Dit geldt ook voor Psalm 105 : 5 bij de kinderdoop. Vers 5 wordt enkel gezongen omdat daar het woord 'verbond' en het woord 'kind' samen in één vers genoemd worden. De rest van de psalm is niet toepasselijk voor de doopdienst.
P
ik vind het jammer dat het meest wezenlijke punt van het versjes plukken en van de parafrasering 1773 gemist wordt. Want het versje psalm 81:12 zet al die kindertjes en ons allemaal ook nog eens volstrekt op het verkeerde been. De Bijbeltekst gaat helemaal niet over een lieve God, die je mond vult als je het vraagt. Daar gaat het over een boze / teleurgestelde God die vaststelt dat Hij Zijn best deed door Zich aan te bieden, maar dat dat vermaledijde mensvolk er niets van wilde weten. En dit is dan nog maar één voorbeeld.
Er valt hier wel wat voor te zeggen, maar aan de andere kant heb ik er ook niet zoveel problemen mee. Er zijn met name progressievere kerken waar ze alle coupletten van een bepaald lied zingen. Dan krijg je soms wel 8 coupletten, die vervolgens in beurtzang of met verschillende begeleidingsvormen worden gezongen.



Bij psalm 119 zou je een groot probleem hebben, denk ik.
Toon meer reacties (1)