Dit artikel is nu opgeslagen in je dashboard.
Bewaar artikelen in je dashboard.

God

05 oktober 2020 door Christa Noteboom

Mijn strijd is niet tegen iets fysieks, mijn strijd is geestelijk

Na een mooie dag slaapwandel ik naar boven om naar bed te gaan. Onderweg bedenk ik me dat ik vandaag wel bijbelgelezen heb, maar niet aan een rustig moment van gebed toegekomen ben. Morgen weer… Terwijl ik mijn tanden poets, vliegt het me ineens aan. ‘Zie je wel… je bent geen échte gelovige. Je bent geen kind van God. Als je dood gaat, ga je naar de hel!’. En direct daarop: ‘Moet je nu eens kíjken naar wat je al die jaren beweerd hebt in je schrijfsels. Al dat geloofsvertrouwen over echt leven na de dood – hartstikke nep!’ In eerste instantie ga ik erin mee. ‘God, ik wil niet dood. Ik wil niet naar de hel. Ik ben bang – straks heb ik mijzelf voor de gek gehouden. Straks bent U niet blij om mij te zien, maar stuurt U me voor eeuwig naar de hel’.

Geestelijke beweging
Maar als ik van de badkamer naar de slaapkamer loop, herinner ik mij Efeze 6: mijn strijd is niet tegen iets fysieks, mijn strijd is geestelijk. Er zijn machten in de weer die eropuit zijn om Gods werk en het leven van mensen kapot te maken. Angst en dood horen niet bij de Koning van het Leven, maar bij het rijk van duisternis. Ik herinner me al die keren, dat deze angst mij overviel op momenten dat er geestelijk gezien iets in beweging was. Als Bert zou gaan evangeliseren bij houseparty’s, bijvoorbeeld. Of als er een grote zegen zou komen op een preek die hij zou gaan houden, of groter nog: op heel het werk dat in Almere gedaan wordt. Niet vreemd dat het me nu wéér overvalt, nu het bijna zondag is en Bert weer hoopt te gaan preken. Niet zelden richt satan zijn pijlen niet in de eerste plaats op degene die Gods woorden uitdeelt, maar op zijn of haar omgeving. Een onrustige nacht en een vermoeide partner kunnen een negatieve uitwerking hebben op de vitaliteit van degene die in de frontlinie staat.

Als ik van de badkamer naar de slaapkamer loop, herinner ik mij Efeze 6: mijn strijd is niet tegen iets fysieks, mijn strijd is geestelijk.

In de wapenkamer
Eenmaal in bed herhaal ik in gedachten de overbekende woorden uit Efeze 6. Ik hou mezelf voor dat Jezus mijn gerechtigheid is: Hij droeg de straf voor al mijn zonden. Ik hef het schild van geloof op: ik gelóóf dat wat God in de Bijbel zegt waar is – en dus ook dat ik niet bang hoeft te zijn voor Gods oordeel, omdat die weggenomen is in Jezus’ offer aan het kruis. Met dat ik dit doe, ben ik bezig het zwaard van de Geest, namelijk de woorden van God, te gebruiken tegen de leugens van satan, waarbij ik tegelijk de riem van de waarheid straktrek. Ik praat met God, bid tegen de strijd in en draai me om om te gaan slapen.

Onrustige slaap
Als ik net aan mijn diepe slaap begin, maakt Judah me wakker. Oorpijn… Slaapdronken knuffel ik hem, bid voor hem en stop hem weer in bed. Dat ik echt beter even paracetamol kan gaan halen, laat ik te weinig tot me doordringen. Dus als ik voor de tweede keer aan mijn diepere slaap wil beginnen, staat Judah weer naast me. Gauw een paracetamol gehaald, Judah weer in z’n bedje gestopt. ‘Nu voel je je gauw beter, Judah’, vertel ik hem. Maar nee… Opnieuw op hetzelfde punt in mijn slaapritme staat Judah naast mijn bed. Half uurtje knuffelen, naar zijn eigen bed, indommelen en weer wakker gemaakt worden. Nu laat ik hem even goed in slaap komen voor ik hem terugleg. Eindelijk blijft Judah lekker slapen. En ik dus ook.

Ik weet niet hoe lang het geduurd heeft, maar ineens hoor ik buiten, vlakbij ons raam, iets omvallen. Een spuitbus? Een vergeten drinkglas, waar een kat tegenaan gelopen is? Ik herinner me het geestelijke strijd-principe, besluit me niet gek te laten maken, draai me weer om en slaap in. Weer een tijdje later hoor ik ineens een hele harde dreun. Nee toch… is Judah nu ook nog uit z’n bedje gevallen? Arm kind. Hup, bed uit, even checken. Nee, hij ligt nog lekker te slapen. Een van de andere kinderen? Nee, ook niet. Ik slaak een diepe zucht en kruip mijn bed weer in. ‘Zo, ligt hij nog lekker?’, mompelt Bert. ‘Hoorde je die dreun niet?’, vraag ik hem. Nee, die had hij niet gehoord. Raar. En toch ook niet: het patroon is herkenbaar. Inmiddels is het tussen drie en vier uur ’s nachts. Gelukkig kan ik nu wel doorslapen totdat het echt dag geworden is.

Juist de geestelijke strijd laat zien dat God aan het werk is. En dat zal Hij doen, tot Jezus terugkomt en Zijn Koninkrijk ten volle zichtbaar wordt.

Bemoediging en oproep
’s Morgens pak ik mijn Bijbel erbij om Efeze 6 nog eens te lezen. Het valt me op dat Paulus oproept om de wapenrusting in goede tijden aan te trekken, zodat je in tijden van strijd niet op zoek hoeft te gaan naar de uitrustingsstukken. Daar merkte ik afgelopen nacht het voordeel van. Ook valt het me op dat hij het gedeelte afsluit met een oproep tot gebed voor zichzelf, dat hij met vrijmoedigheid het geheim van het Evangelie bekend mag maken en mag zeggen wat hij van God moet zeggen. Een mooi moment om de daad bij het woord te voegen. Ik bid voor Bert, die ergens anders dan in Almere zal spreken. En voor de voorgangers van onze eigen gemeente, maar ook voor de voorgangers wereldwijd; dat God hen zal zegenen met vrijmoedigheid om te zeggen wat ze moeten zeggen, zonder een blad voor de mond te nemen. Want juist de geestelijke strijd laat zien dat God aan het werk is. En dat zal Hij doen, tot Jezus terugkomt en Zijn Koninkrijk ten volle zichtbaar wordt.

Bovenstaand artikel is geschreven door schrijfster Christa Noteboom. Zij is getrouwd met Bert Noteboom en moeder van drie kinderen.

Start het gesprek

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen