Dit artikel is nu opgeslagen in je
dashboard.
Bewaar artikelen in je dashboard.
Nieuws
13 maart 2009
door
Redactie
'Atheïsme en zingeving' - Atheïsme (II)
Naar aanleiding van het atheïstische
billboard (foto) dat op 10 maart langs de A4 bij Schiphol is verschenen,
publiceert CIP.nl een serie artikelen over het atheïsme vanuit christelijk
perspectief. Vandaag deel II: 'Atheïsme en zingeving'Dit is het tweede artikel over atheïsme vanuit een christelijk
standpunt. De serie is ontstaan in reactie op het atheïstische
billboard dat in maart 2009 langs de A4 te bewonderen is. In deze
bijdrage zullen we dieper ingaan op de tweede statement op het
billboard: 'Durf zelf te denken'. Volgens de atheïsten achter het
billboard is het vanzelfsprekend dat het niet-bestaan van God leidt tot
de oproep om zelf te durven leven.
Valt er - wanneer God
weggevallen is - wat te durven? Valt er wat te leven op eigen kracht?
We zagen dat het atheïstische wereldbeeld ons geen enkele moraal over
laat om sturing te geven aan het leven. Dat kwam omdat, zoals we zagen,
de materiële werkelijkheid geen fundament voor een ethiek biedt. Hoe
zit dat met zingeving? Om zelf te durven denken, moet er toch een
aanleiding zijn om dat te doen? Er moet betekenis zijn; het moet zinnig
zijn om dat te doen.
Alles is eindig en zonder betekenisOpnieuw
kijken we naar een van de pijlers van het atheïsme, naturalisme. Het
naturalisme biedt ons een gesloten systeem van natuurlijke oorzaken. De
empirisch (zintuigelijk) waarneembare materie is het enige dat er is.
Simpel gezegd: alles is stof; verder is er niets. De dingen die
gebeuren hebben alle een natuurlijke oorzaak. Van een bovennatuurlijke
oorzaak is geen sprake.
Het naturalisme is dus een gesloten
doos; er gaat niets uit en er komt niets in. Met wat er is, zullen we
het moeten doen. What you see, is what you get. Punt uit. Niets meer,
niets minder. We hebben materie. Die materie heeft een ontwikkeling
doorgemaakt tot wat nu ons huidige universum is en tot alle
levensvormen. Het is allemaal stof, materie, moleculen, atomen, etc.
We
kunnen nog meer over materie zeggen. We kunnen stellen dat materie geen
betekenis of doel heeft. Het is er gewoon; meer niet. Inmiddels weten
we ook, op grond van kosmologische inzichten, dat die materie eindig
is. We weten nu dat het universum langzaam uitdijt en langzaam aan het
uitdoven is. Alle materie zal uiteindelijk vergaan tot los zwevende
atomen in een ruimte die oneindig maal groter is dan ons huidige heelal.
Daarmee
is meteen duidelijk dat ook het leven eindig is. Niet alleen eindig in
de zin dat elk levend individu niet kan ontsnappen aan de dood, maar
eindig in de zin dat de condities in het heelal uiteindelijk elk leven
onmogelijk zullen maken. Het leven, beschouwd vanuit dat perspectief -
inclusief het menselijk leven - is zonder enige betekenis. We komen
hier straks op terug.
De mens als anomalieEerst
iets over de mens. Wie of wat is hij? Het is hier niet de plaats om een
volledige anthropologie (mensvisie) te ontwikkelen, maar enkele punten
willen we aanstippen die belang zijn voor zijn plaats in het geheel van
deze werkelijkheid.
De mens onderscheidt zich - voor zover wij
waar kunnen nemen - van de dierewereld doordat zijn gedrag niet primair
door instinct wordt bepaald, maar door de rede. Dat wil niet zeggen dat
de mens zuiver redelijk handelt; zijn rationele vermogen is echter wel
het primaire instrument waarmee hij zich oriënteert.
Een andere
manier om dit onderscheid van de dieren aan te geven is, te zeggen dat
de mens anders dan dieren zelfreflectie kent. Hij is in staat afstand
te nemen van zichzelf, maar ook van zijn omgeving en het 'nu'. Hij kan
zichzelf als van een afstand beschouwen en zich een voorstelling maken
van over hoe het hem in de toekomst zal vergaan. Hij kan met betrekking
tot zichzelf de 'waaromvraag' en de 'waartoevraag' stellen: 'Waarom ben
ik hier? Waartoe ben ik hier?'
De mens verlangt, aspireert,
ambieert en streeft naar doelen waarvan hij vermoedt dat die onderdeel
zijn van zijn potentieel. Hij hoopt en jaagt een bestemming na die
ergens in de toekomst ligt. Hij vreest in het verlengde van die hoop de
dood, de vreselijke gedachte niet langer te bestaan.
Bezat hij
zijn zelfreflectie maar niet; wat zou het leven dan eenvoudig zijn. De
mens is zich - zij het vaak onberedeneerd - pijnlijk bewust van de
discrepantie tussen de betekenisloosheid en eindigheid van het leven
enerzijds en zijn eigen aspiraties anderzijds die teniet gedaan worden.
Wanneer hij de feiten onder ogen ziet, ervaart hij zichzelf als een
anomalie van verlangen naar betekenis in een zee van betekenisloosheid.
Het zelf durven denken van de atheïst leidt dus tot nihilisme. Hij
probeert probeert zich echter ter compensatie op verschillende manieren
betekenis toe te kennen.
Hij wijdt zich bijvoorbeeld aan kunst.
Maar kunst geeft slechts een schijn van zingeving. Het mag waar zijn
dat het beste wat kunst heeft voortgebracht ons verbaast, meesleept, in
vervoering brengt. We kennen allemaal wel de ervaring wanneer we kunst
op ons in laten werken. Het lijkt wel alsof we in aanraking komen met
iets hogers in onszelf. Uiteindelijk zal ons naturalistische
wereldbeeld ons toch met beide benen op de grond doen landen. Van
Gogh's schilderijen bieden ons niet meer dan afgeketste fotonen in onze
ogen en Beethoven's symfonieën brengen slechts luchtmoleculen in
beweging die onze oren bereiken. Van Gogh zal verpulveren terwijl
Beethoven langzaam wegsterft. Wat overblijft is leegte en stilte.
Het
helpt niet om de vergankelijke mens af te schilderen als onderdeel van
een kosmisch drama alsof er een toeschouwer is en alsof
vergankelijkheid verheven kan worden tot dramatische tragiek. Onze
betekenis ligt ook niet in wat we voor het nageslacht kunnen betekenen,
want ook het nageslacht zal vergaan, ja, de hele mensheid zal ophouden
te bestaan.
De atheïstische mens die de stand van zaken erkent,
moet opschuiven van hoop naar wanhoop en heeft maar weinig opties tot
zijn beschikking waarvan die van het hedonisme (genotzucht) de meest
logische lijkt te zijn. Er zijn er echter maar weinigen die dit onder
ogen durven zien; en maar weinig mensen die staande kunnen blijven
onder het torende gewicht van de realiteit van het naturalisme.
Daar is durf voor nodigBertrand Russel's, de beroemde 20ste eeuwse filosoof deed dat wel. Hij schreef:
"...dat
de mens het resultaat is van oorzaken die geen zicht hadden op het doel
dat ze bewerkten; dat zijn oorsprong, zijn groei zijn hoop en angst,
zijn liefde en geloof slechts het resultaat zijn van toevallige
samenraapsels van atomen; dat geen enkel vuur, geen heldendom, geen
intensiteit van gedachten of gevoelens het leven van de individu kan
bewaren voorbij het graf ... Slechts binnen de steigers van deze
waarheden, slechts op de het solide fundament van ontoegeeflijke
wanhoop, kan de wooplaats van de ziel voortaan veilig gebouwd worden".Hoewel
Russel niet wanhoop in emotionele maar in existentiële zin bedoelt,
komt die wanhoop als een allesverpletterende wals aanrijden voor wie
hem onder ogen durft te zien. Het is moeilijk te zien hoe de
'woonplaats van de ziel' daar veilig gebouwd kan worden. Onze einige
hoop kan zijn dat de steigers waar Russel over spreekt geen waarheden
maar leugens blijken te zijn.
De enorme implicaties van het
atheïsme stonden de 'God-is-dood' filosoof Friedrich Nietzsche heel
duidelijk voor ogen toen hij in zijn Vrolijke Wetenschap schreef:
"Heb
je niet gehoord van de dwaze die op klaarlichte dag in de morgen zijn
lantaarn aanstak, naar de marktplaats rende en onophoudelijk riep: 'Ik
zoek God! Ik ben op zoek naar God!'.
Veel van de mensen die
erbij stonden geloofden niet in God en moesten flink lachen. Ben je hem
kwijt of zo? vroeg er een. Is hij net als een kind z'n weg kwijt
geraakt? zei een ander. Of heeft hij zich verstopt? Misschien is hij
bang voor ons? Misschien is hij op reis of is hij geëmigreerd? Zo
riepen en lachten ze. De dwaze sprong in hun midden en doorboorde hen
met zijn blik.
'Waar is God naar toe gegaan? riep hij, 'Dat zal
ik je vertelen. We hebben hem gedood - jij en ik. We zijn zijn
moordenaars. Maar hoe hebben we dit gedaan? Hoe waren we in staat om de
zee op te drinken? Wie gaf ons een spons om de gehele horizon uit te
wissen? Wat hebben we aangericht toen we de aarde loskoppelden van haar
zon? Waar beweegt ze nu naar toe? Waar zijn wij naar op weg? Weg van
alle zonnen? Zijn we niet voortdurend aan het vallen? Achterwaarts,
zijwaarts, voorwaarts, in alle richtingen? Is er nog een 'op' en een
'neer' overgebleven? Dwalen we niet door een oneindig niets? Voelen wij
niet de adem van lege ruimte? Is het niet kouder geworden? Wordt het
niet al meer en meer nacht? Moeten we 's ochtends niet lantarens
aansteken? Horen we niet reeds het geluid van de doodgravers die bezig
zijn God te begraven? Ruiken we al iets van Gods verrotting? Goden
verrotten namelijk ook. God is dood. God blijft dood. En wij hebben hem
gedood. Hoe moeten wij, moordenaars der moordenaars, onszelf
vertroosten?"De atheïsten die met zo'n groot
zelfvertrouwen en blijmoedigheid hun wereldbeeld verkondigen hebben
niet door wat Nietzsche wél wist: het wegverklaren van God trekt een
immense wissel op de betekenis van de mens. Wat voor een genieten
hebben wij dan nog te doen bij het ervaren van zo'n grote kloof tussen
onze hunkering naar betekenis en blijvendheid en de atheïstische
realiteit van onze eindigheid en betekenisloosheid?
DenkenZelf durven
denken. Maar waarom? Wordt deze durf beloond, wordt ze bewonderd? Zo
ja, met welk doel, welk resultaat? Het heeft alles geen betekenis.
Zelfmoord is een net zo legitiem antwoord op de zinloosheid van het
atheïstische wereldbeeld als de moed om op zo'n fundament van wanhoop
ons lot in de ogen te kijken. Want moed zelf is een betekenisloos en
zinloos gegeven geworden.
Maar waarom zou men dit moeten doen
als er geen enkele reden is om aan te nemen dat God niet bestaat? Daar
gaat het volgende deel over 'Er is waarschijnlijk geen God.' Atheïsme
en bewijs.
Deel dit artikel op: