God

03 oktober 2019 door Robert Roth

Bidden om verlossing tot Hem die je laat lijden?

Psalm 88 is in meer levens waar dan ik wil geloven. Ooit ook in mijn leven, maar die duisternis is voorbij. God zij geprezen! Maar de duisternis herinner ik me als de hel. Ik droomde ooit over een gevecht om mij. Ik zag de satan aan mijn voeten trekken. Achter mij trok God, of Jezus. Geen van beiden won. Niemand weet hoe je je dan voelt, ik inmiddels ook niet meer. Hel was het, of erger, niet minder. Ik heb wonderlijk goede hulp gehad en mijn leven is licht geworden. Genezen worden was God terug vinden, maar dan beter dan voorheen.

Maar niet voor iedereen geldt dat. Ik kom meer mensen tegen die in de duisternis leven, aanhoudend depressief, om wat voor reden dan ook. Of er is een andere reden die de entree vormt voor volkomen vreugdeloosheid in het leven van alledag. Er is geen licht in de tunnel. Er zijn er bij die blijven geloven in God. Het lijkt een wat uitgekleed geloof. ‘God is er, dat houd ik vast. Met mijn verstand en weten.’ En dat lijkt mogelijk. Als je wordt opgeroepen om God lief te hebben met heel je hart, je verstand en al je krachten, en één van die krachtbronnen doet niet meer mee, dan loop je op die andere bronnen achter God aan. Als je hart niet kan meekomen, is dat heel erg. Maar als er angst heerst in je hart voor het gevoel dat overblijft, als je bang bent voor de angst dat alle andere gevoelens overvleugelt: ‘als God echt dichtbij komt, als hij echt mijn hart ziet, als hij mijn hel ziet, als ik mijn hel met hem bekijken ga… dat overleef ik niet, ik hou het voor hem verborgen. En voor mijzelf en voor anderen.’ Soms is het erfelijk of lijkt het erfelijk, ik kan dat niet bekijken. Vaker dan ik wil is er duisternis in levens van mensen, leven zonder uitzicht.

Hoe gaat het dan met God? Bidden verstomt, kerkgang verdwijnt, interesse van anderen in jou verzwakt omdat je niet meer onder de mensen komt (dat wil je zelf geregeld ook niet meer, want dan komt de donkerte weer naar boven).

Lege dop
Psalm 88 is een half lied, zo lijkt het. Ooit hoorde ik er iemand over preken: psalmen bevatten vaker treurnis, maar in veel liederen is er een wending. Ervaren redding en hoop breken dan door. Maar soms keert het lied zich pas in de hemel. Psalm 88 is zo’n lied. Het wordt (vast) afgeschreven in de hemel. Niet op aarde. Ik vind dat een prachtig beeld en relevant om dit lied ter sprake te brengen. Maar hoe mooi zo’n gedachte ook is, het maakt schrijnend duidelijk dat mensen soms in dit leven worstelen met verlatingsgevoelens, angstgevoelens, onder de medicatie zitten, geen hoop ervaren. En niemand helpt ze er vanaf. Geen therapie (of de goede wordt niet aangereikt), geen mensen (die haken af en worden niet verdragen), geen God (die reageert niet in de vorm van het zo verlangde herstel). Deze zieke mensen zouden tevreden zijn met een half ei, vermoed ik, maar leven met een lege dop. Zo lees ik Psalm 88 dan ook. ‘Heer God, mijn redder, ’s nachts schreeuw ik het uit, overdag zit ik voor U neer.’ Kan het schrijnender? Kun je dit uitleggen als ‘gelukkig heeft hij zijn geloof nog, want de dichter noemt God nog zijn redder?’ Zo wordt het vaak uitgelegd. Ik doe dat niet. De dichter bidt tot God en lijkt dicht bij het opzeggen van zijn vertrouwen op God. Het zou mij niet hebben verbaasd als er zoiets zou hebben gestaan: U bent machteloos. U doet niks. U kunt niks. Maar dat staat er niet.

Erger nog
Het is eigenlijk nog veel erger. God doet juist een boel in de ogen van de schrijver: Hij bezorgt de psalmdichter dit lijden, levenslang (vers 16). Dan wordt het wel een heel lastige voorstelling. God is redder, maar wordt als verdoemer ervaren en in beeld gebracht. Of zeg ik dat te sterk? Zeg het zelf. De daaropvolgende psalm heeft ook al zo’n dramatisch verloop qua godsbeleving. Van een God van trouw naar een God die zich voor zijn kinderen verborgen houdt.

Bij de voorstelling van de dichter heb ik juist op dit punt ook wel een vraag aan hem. Er kan verband zijn tussen zonde en ziekte. Psalm 32 legt dat verband helder. Maar dan is die zonde goed te duiden en in beeld te brengen. Er is zonde, en daarom ziekte. Maar dat kun je niet omkeren. In het boek Job krijgen de vrienden van Job het verwijt dat ze het lijden van Job één op één verbinden met zonden van Job, die hij wel gedaan moet hebben. Nu lijkt het er niet op dat Psalm 88 de schrijver zichzelf ziet als zondaar. Nergens belijdt hij schuld. Die optie blijft buiten beeld. Toch ziet de dichter het lijden dat hem overkomt als een daad van God die zich vertoornt (8.17). Kan het zijn dat de dichter zich vergist? Soms lijden mensen zo dat ze God niet goed meer kunnen begrijpen. En werken ze met een beeld van God dat niet goed is. Tegelijkertijd stelt de schrijver van de psalm dat hij niet weet waar hij aan toe is, waarom het allemaal gebeurt (15-16). Hij zoekt naar antwoorden, maar vindt ze niet. Maar, en dat valt ook op, satan als bron van kwaad blijft ook ongenoemd. Merkwaardig vind ik dat. Ik zou hem wel noemen. Ik zou het ook zo oplossen. God goed, satan kwaad. Maar Heman doet het niet, juist niet.

Cynisch
Het beeld wordt steeds cynischer. Er is een mens in nood en het gaat over iets meer dan over een schaafwond op zijn knie. Hij is stervende. God is zijn redder, maar God grijpt niet in. God is niet zozeer machteloos, maar actieve speler in het aanhoudende lijden. God brengt dit kwaad. Dat is in ieder geval zoals de dichter zijn situatie beleeft. God is onnavolgbaar voor hem. Dat is nog een tamelijk milde en verhullende formulering. De dichter roept God aan als redder, als de goede partij, en spreekt hem aan als de brenger van onheil. Waar een zonde buiten beeld blijft en het hele leven wordt geschetst als een lijdensweg, kun je op je vingers natellen dat het moment van afscheid van God nabij is. Dat doet de dichter overigens nadrukkelijk niet, afscheid nemen. Maar wat moet je met een God die als innerlijk tegenstrijdig wordt beleefd?

Christus
Ik breng hier Christus ter sprake, zoals Paulus hem noemt in II Korinte 1,18-20:

‘Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus, die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan u verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door hem dat we amen zeggen, tot Gods eer.’

Wat mij betreft is dit woord van Paulus de grond onder de klacht van de Ezrachiet Heman. Als je leven een ‘nee’ wordt, als het niet is uit te houden, schrijft Jezus zijn ‘ja’ onder je klagen: je leven rijmt niet op Gods ja, schreeuw het uit, hou je niet in, klaag bij God.

Blijvende duisternis
Ik kom er niet mee uit, met dit beeld van God uit psalm 88: Verlosser en Bewerker van kwaad. God is goed. God is liefde. Ik ben niet degene die dat wenst en het daarom zegt. God laat zich kennen als de liefde en zo wordt hij ook beleden in de schrift (I Johannes 4). Maar ik zie er mensen tegenaan schampen en schuren: het wordt maar geen licht. Wie geeft me dit leven? Verlost God me niet? God staat hier niet buiten, maar hoe staat hij dan binnen dit lijden? En elke vraag opent ruimtes waar mensen zoeken naar houvast, maar het niet vinden.

Mee klagen
Psalm 88 roept om een gemeenschap van klagers. Een gemeente die het ongerijmde van broers en zussen afdoet als ‘die zeurt altijd’, heeft dit lied niet goed gesnapt. De Korachieten zingen in beurtzang met de lijdenden mee. Mee klagen met de lijdenden, dat is ook een taak van de kerk. En het ongerijmde niet pikken, niet accepteren, bezwaar aantekenen. ’s Nachts bij de lijdenden zijn die niet kunnen slapen. Overdag naast ze zitten voor God. Weken-, maandenlang. Zoals de studenten in Hongkong protesteren tegen een omstreden uitleveringswet. God herinneren aan zijn ‘ja’, gemarkeerd in zijn Zoon. Kom over de brug, God, met redding en bevrijding! Wij noemen U bij uw Naam: Jahwe, ‘Ik ben er bij, reddend en bevrijdend’. Maar waar bent U dan bij, en hoe moeten we U noemen, waar zien we de contouren van uw Naam?

Zo wil ik bij de lijdenden zijn. Hun ontreddering is mijn ontreddering. Hun God is mijn God. Hun ongerijmde leven is mijn ongerijmde leven. Ik heb Christus aan mijn kant, want in Hem is het ‘ja’. God is betrouwbaar. Ik hoef niet uit te testen of dat wel waar is. Ik claim het als een Woord van God zelf over zichzelf en breng het God in gedachten namens de lijdenden, omdat hij zijn betrouwbaarheid heeft onderstreept en waargemaakt in zijn Zoon. En in mij, ooit. Het is mijn bede dat de ogen van de lijdenden opengaan voor Jezus. Die in de allerdiepste diepten was als bondgenoot, als redder en bevrijder, weg naar het licht. Van God.

Robert Roth is gereformeerd-vrijgemaakt predikant. Zijn commentaar verscheen eerder op zijn weblog. Neem hier een kijkje op zijn website.

Start het gesprek

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals
Vakanties
Hier adverteren?

Beluister onze Podcast!

iTunes Stitcher Spotify