Joop Gottmers

Nieuws

03 september 2008 door Rik Bokelman

Van drugsbaron tot evangelist

Toen kickbokskampioen en drugsbaron Joop Gottmers (44) voor de tweede keer uit de gevangenis kwam had hij binnen een paar dagen alweer een kilo cocaïne op zak voor de verkoop. Nu is hij preventiewerker bij de christelijke Stichting Voorkom. Een politieman die Gottmers van jongs af aan gekend heeft: ,,Joop was een echte zware crimineel met een enorme uitstraling. Elke politieman in de regio kende hem. De verandering die hij heeft doorgemaak,t is heel bijzonder.”
 


Joop: ,,Toen ik zes jaar was verhuisden we van Rotterdam naar Halsteren in Brabant, hier één dorp verderop. We kochten daar een groot café op de hoek. Ik vond het helemaal te gek. Maar ik kwam op school en ik verstond die kinderen amper. Zo! Dat Brabants dialect was zo plat en ik met me Rotterdams – ik was net iemand van een andere planeet. Dus werd ik van meet af aan gepest. Ik moest van de grotere jongens sigaretten stelen uit ´t café en afgeven, anders kreeg ik schoppen en slaag. Ik was zo ongelukkig. Me moeder, daar heb ik nooit echt een band mee gehad. En me vader, daar was iedereen bang voor. Hij was knokker in hart en nieren. Als er ergens iets was riepen ze me vader erbij en die ging erop en af sloeg iedereen kort en klein. Dus de stap voor mij om te zeggen, ´Pa, ik word gepest´ was groot. Toch heb ik het uiteindelijk gedaan. ´Oh, wor´ jij gepest?´, zei die. ´Dan ga je op boksen. Dan kun je terugslaan´. Hee. Ik was helemaal geen type om te vechten. De eerste lessen kan ik m´n eigen precies herinneren, in een grote zaal achter een café. Er waren drie andere jongetjes van een jaar of elf en verder alleen maar groten. Voor die drie vriendjes kwam ´t mooi uit dat ik erbij kwam. Ik werd gewoon als boksbal gebruikt. Ik heb tijden gehad dat ik huilend naar boksles toeging en er huilend vandaan kwam. Maar thuis moest ik m´n tranen afvegen, want als me vader die zag, kreeg ik van hem ook nog een pak slaag. Ik had nooit speelgoed, maar als het met boksen te maken had kon ik alles van me vader krijgen. Ik geloof nu dat ik nooit een type ben geweest om te boksen. Ik ben een product van mijn vader geweest. Ik weet nog mijn eerste officiële wedstrijd, ik was veertien. Ziek van de zenuwen was ik. Zo ziek dat ik naar de dokter moest. Ik heb wedstrijden gehad dat ik huilend de ring in ging. Dá´s raar! Maar eenmaal in de ring werd ik een knokker. En me vader was mijn grootste fan. En op een gegeven moment heb je zo´n niveau bereikt, omdat je zo jong bent begonnen, dat je niet meer aan stoppen denkt. Ik ben ergens naartoe gedreven waar ik niet thuis hoorde. Het gekke is dat het achteraf net is of God er altijd bij is geweest. Want ik geloof echt dat Hij me in de moederschoot geweven heeft en al mijn dagen heeft gekend.”
 

Mijn vader was mijn afgod
,,Op de lagere school was ik door al dat pesten en vechten een bron van onrust. Uiteindelijk moest ik bij de directeur komen, toen was ik tien. Hij staat achter de deur en ik stap binnen en krijg een klap – zo, knal! – op me achterhoofd. Daarna geeft-ie me een brief voor me vader. Er staat in dat ik van school ben gestuurd wegens stelen, liegen en spijbelen. Maar ik had niks gestolen en ik had geen dag gespijbeld. Ze wilden gewoon van me af. Me vader zegt, ´Is dit echt zo?´ Ik zeg, ´Pa, er klopt helemaal niks van´. Me vader ziet dat. Me vader wordt boos. We stappen in de auto, stappen naar de directeur. Me vader zegt een paar woorden tegen ´m en stompt ´m zo in elkaar. Hij zegt, ´Waar is je lokaal?´ We stappen daar naar binnen. ´Is dat je leraar?´ ´Ja´. En hij stompt ´m zo in elkaar. Hij zegt, ´Zo. Wij willen niet meer naar deze school´. En ik loop eruit met me schooltas en me blokfluit. Maar wat me vader gedaan had was natuurlijk hét verhaal in het dorp. Oké, ik kom op die andere school. Alleen nu was ik niet meer dat jongetje dat zo gepest werd, maar het zoontje van die man die de boel kort en klein geslagen had – en ik zat nog op boksen ook! Opeens wilde iedereen mijn vriendje zijn. Ik was natuurlijk hartstikke trots op me vader, en dankbaar dat ik dankzij hem van het gepest af was. En dus kreeg mijn vader een heel belangrijke rol in mijn leven. Hij was alles voor mij. Nu zeg ik, ´Hij was mijn afgod´.”

Meino Dam, brigadier politieteam Bergen op Zoom-Woensdrecht: ,,Joop ken ik al vanaf dat-ie een kleine jongen was. Ik kom uit hetzelfde dorp. Toen hij er kwam wonen begon ik net bij de politie in Halsteren. Ja, als agent in zo´n klein dorp ken je je pappenheimers wel. Z´n vader liet ´m altijd tegen grotere, sterkere jongens boksen om ´m hard te maken. ´Een Gottmers mag nóóit verliezen´, zei die altijd. En dat werd ook Joops mentaliteit, je zag het gewoon gebeuren. Het was geen meelopertje, dat niet, maar zo´n jongen groeit in een bepaald milieu op, komt op een bepaald spoor en dan gaat er een heleboel vanzelf.”

Voor Joop was iedereen bang
Joop: ,,Ik sloeg op zestienjarige leeftijd drie politieagenten in elkaar. Bij de kermis. Ze namen de brommers van mij en m’n broer in beslag en één van ze begint m’n broer z´n brommer ruw in te laden. Maar m´n broer was altijd superzuinig op z’n brommer. Hij zegt, ‘Hé, doe ’s rustig!´ Maar die politie neemt ´m zo in de wurggreep en knijpt en knijpt en ik zie me broer blauw aanlopen. Oké. Dus was het genoeg. En ik sla zo die agent knock-out. Toen kwamen er nog twee aanlopen. Die twee heb ik ook zo neergeslagen. Toen komt de vierde. Ik denk, ‘Ik laat hem eerst slaan, dan heb ik het niet uitgelokt; ik ben toch veel sneller’. Maar die vierde was karatespecialist en die sloeg mij neer en we belandden een dag in de cel. Toen ik later thuis kwam zeg ik tegen me vader, ‘We hebben vastgezeten’. ‘Waarvoor?’ ‘Ik heb drie agenten in elkaar geslagen’. Nou, me vader kwijlde nog net niet, maar in plaats van straf te krijgen, werd ik ervoor beloond. Hij vond het zó ruig, hij vond mij geweldig. En iedereen wilde met mij stappen. Want als Joop erbij was, kon je niks gebeuren, voor Joop was iedereen bang. Ik bleef trainen, altijd trainen. Toen werd ik Europees bokskampioen middengewicht. Later ging ik boksles geven in Bergen op Zoom. Daar hebben ze me ook kickboksen geleerd. En voor Thai boksen ben ik in Thailand geweest. Da´s veel harder. Knieën, ellebogen, alles mag. Nu trainde ik héél veel. Ik had de LTS afgemaakt en werkte in de steigerbouw, maar daarnaast ging ik portieren. Dat was míjn baan. Nu mocht ik legaal mensen in elkaar slaan! Ik werd echt een goeie portier. Ik was bekend en berucht en ik verdiende bakken met geld. Overal waar er problemen waren sloeg ik alles kort en klein tot het weer was opgelost.”

Twee shoarmamessen
,,Er was een discotheek in Bergen op Zoom waar ik niet in mocht van de eigenaar. Maar de jongens van de sportschool waar ik les gaf stonden daar aan de deur, dus op een keer wilde ik er toch ´s naar binnen met m´n vrienden. Eerst lieten ze me niet binnen, maar ik zeg, ´Ik beloof dat ik niet zal vechten´. Oké, we komen daar binnen, drie knokkers. Ik was er nooit geweest, dus ik vind het hartstikke interessant. Ik loop die zaak door, eerste bar, tweede bar. Aan de derde bar bestel ik drie pilsjes. Alleen ik had niet door dat die derde bar van de Zeekant was. Da´s een beruchte wijk in Bergen op Zoom, ook allemaal knokkers. Ik reken af en zo´n gozer zegt, ´Da´s míjn bier´. Ik zeg, ´Nee, da´s mijn bier, ik heb ´t net betaald´. Hij zegt, ´Nú is het mijn bier´. Dat was het laatste wat-ie die avond gezegd heeft, want ik sla zo z´n hele gezicht open. Toen brak er een massale vechtpartij uit met al die Zeekanters. M´n oor lag er half af, m´n wenkbrauw was opengescheurd. En toen we eruit gegooid werden stond daar de politie met politiehonden. En wat doen ze: ze laten die honden los. Zo! Ik had op ´t laatst haast geen kleren meer aan me lijf. Ik zat onder het bloed. Maar ze lieten ons gaan. Toen zegt me maat, ´Kom, we gaan shoarma halen´. Ik zeg, ´Man, ik kan zo toch geen shoarma halen, moet je kijken hoe ik erbij loop´. Maar we gingen shoarma halen. Hij loopt zo die zaak binnen en zegt, ´Ik wil saté!´ Die shoarmaboer zegt, ´Hebben we niet´. Hij is Marokkaan. Me maat slaat met de vuist op de bar en zegt, ´Ik wil saté!´ En die shoarmaboer leunt over die bar en slaat ´m zo op de grond. En al die andere Marokkanen die in die tent zitten duiken gelijk op ons af. Jongens, wat een vechtpartij. Er bleef geen spaan heel van die hele shoarmatent. Maar opeens komt die shoarmaboer van achter de bar met twee van zúlke vleesmessen. Vlijmscherp. Ik zeg tegen me vrienden, ´Naar buiten jullie. Nu regelt Joop ´t´. Hij komt zo op me af met die twee messen. Ik pak een barkruk en geef ´m zo´n oplawaai dat die hij zichzelf zo met die messen overhoop snijdt. De volgende dag stond het in de krant: shoarmaboer neergestoken. Maar de politie had snel door dat ik geen wapens had gebruikt, anders had ik die bij die eerste vechtpartij wel getrokken. Ik was geen jongen van wapens. Ik was een knokker, ik vocht met me handen. Mijn armen en benen staan bij de politie geregistreerd als gevaarlijke wapens, hè.”

Politieman Meino Dam: ,,Ik kwam Joop regelmatig tegen, in z´n jonge jaren altijd vanwege geweldsdelicten. Hij was natuurlijk een kickbokser en iemand met een enorme uitstraling. Het was een forse kerel met grote spierbundels en iemand die nergens, maar dan ook nergens bang voor was.”

Geloven in jezelf
,,Andere interesses dan trainen en vechten had ik in die tijd niet echt. Ja, de natuur. Vogels. Ik had een vriendje, Gorrie. Hij stotterde. Een lieve jongen. Met hem deed ik van alles, vissen, vogels kijken, ik had zelfs een verrekijker. Maar dat was doordeweeks – nooit in het weekend, want dan knokte ik. Hij wist wel dat ik een knokker was, maar hij moest er niks van hebben. Uiteindelijk krijgt hij een auto en hij rijdt één keer te hard en rijdt z´n eigen zo dood. Dat was voor mij zó onrechtvaardig. In mijn ogen was er maar één die dood moest en dat was ik. Gorrie was een lieve jongen die goed z´n best deed, hard studeerde op school, nooit te hard reed. En uitgerekend hij moest dood. En toch geloof dat ik God toen ook al met me bezig was. Hij gebruikte al die dingen om mij te bereiken. Ik ben anti-geloof opgevoed, hoor. Me vader zei, ´Je mag maar in één ding geloven en dat is in jezelf´. Ik ben natuurlijk nooit gedoopt, maar mijn doopnamen waren Johannes Jacobus, ik snap nog niet waarom. De zonen van de donder. Dan heet ik van m´n achternaam Gottmers, God-mers. En weet je hoe me moeder van d´r meisjesnaam heet? Kloosterziel. Dus het moest wel goed komme met me.”

Hele goeie cocaïne
,,Ik ben heel onverwachts de criminaliteit ingerold. Ik was aan het lesgeven op een sportschool. En die eigenaar, die mocht ik heel graag. Op een gegeven moment zegt-ie, ´Joop, ik wil met je praten´. ´Goed, praat maar´. ´Nee, dit moet onder vier ogen´. Wij een afspraak gemaakt, ik naar zijn huis. Ik was zo nieuwsgierig. Het enige idee dat ik had was, ´Misschien wil hij een nieuwe sportschool met mij oprichten!´ Zo naïef was ik. Ik kom daar. Hij zegt, ´Joop, ik kan aan hele goeie cocaïne komen. En ik zie in jou de man die dat gaat verkopen´. Hij vroeg het aan de verkeerde natuurlijk. Ik was anti-drugs, anti-doping! Ik was altijd aan het trainen, met mij moest je vechten, niet met slappe onzin aankomen. Ik schrok m´n eigen kapot toen-ie dat vroeg. Ik zeg, ´Hier moet ik over nadenken´. En na veertien dagen heb ik besloten in de cocaïne te gaan. Ik weet niet waarom. Geld had ik niet nodig, ik verdiende zat met portieren. Misschien omdat híj het vroeg. Dus ik kom de eerste keer bij me compagnon en daar ligt een blok van iets, geperst. Ik zeg, ´Joh, dit is geen cocaïne, hoor.´ Ik had bij Miami Vice al vaak van die zakjes witte poeder gezien. Hij zegt, ´Dit is cocaïne en dit gaan we verkopen. Weet jij iemand in Bergen op Zoom?´ Ik had geen idee. Maar ik werd gesponsord door een coffeeshop. Dus ik zeg, ´Daar ga ik er wel mee heen´. Ik had niet eens het besef dat er een verschil is tussen harddrugs en softdrugs. Eén ons cocaïne nam ik mee, een heel klein blokje, stelde niks voor, stonk een uur in de wind. Ik zeg, ´Ik heb wat. Kunnen jullie daar iets mee?´ Hun testen die cocaïne en dat blijkt hele goeie te zijn. Wij kochten dat onsje voor 7,500 gulden en we kregen d´r zo 14,000 voor. Zo! We hadden ineens 6,500 gulden verdiend! Wij meteen nog een ons gebracht, toen twee ons. En dat ging een hele tijd zo door. In ´t diepste geheim, hè, want ik schaamde me eerder dan dat ik erop kon pochen. Ik vond iedereen een sukkel die drugs gebruikte. Dat doe je niet. Ik wist eerst niet eens waar me compagnon de cocaïne vandaan haalde. Ik dacht alleen maar aan het geld.”

Sportman en ´zakenman´
,,We begonnen steeds meer klanten te krijgen, ik was nu midden twintig. We begonnen het spul thuis te verdelen in zakjes van tien gram, twintig gram. Die gingen we van tevoren klaarmaken. En ik had zo´n semafoon, met voor elke klant een nummer. Ze konden mij oppiepen met hoeveel gram ze wilden. Dan kreeg ik op de semafoon: twaalf, tien. Of: twaalf, twintig. En dan bracht ik klant nummer twaalf tien of twintig gram. Een maat van mij deed in amfetamine. Speed. Dus dat gingen we er ook bij doen. Toen kregen we het versnijden door. Door de cocaïne deden we codeïne, ook illegaal natuurlijk, en door de speed cafeïne. Niemand wist er iets van. Ik was intussen getrouwd, maar me vrouw wist ook niks. Maar ik werd iedere keer opgepiept natuurlijk, dus ik zei, ´Dat zijn cafés en illegale whisky. Kijk, deze klant wil tien flessen, die twaalf´. Ze was een Zeeuws meisje, ze had geen notie. Niemand trouwens. Toen het later bekend werd kon niemand het geloven dat ik in de drugshandel zat. Het werd steeds gekker. Doordat we steeds meer contacten kregen, wisten we steeds meer. Op het laatste wisten we van tevoren al wanneer er in de Rotterdamse haven cocaïne zou aankomen. En we kochten zoveel in dat iedereen aan ons wilde leveren. Ik was gestopt met werken want ik verdiende zoveel, het hoefde niet meer. We hadden tijden dat we tienduizend gulden per week verdienden. Dat was voor ons heel veel geld. Zo! Maar ik had geen tijd om ´t op te maken. Ik reed wel in een sportwagen, een rode Mitsubishi Starion. Daar heb ik er vier van gehad. Dat was dé wagen toen. Maar voor de rest was ik nog steeds sportman. Door de week trainde ik en ´s weekends portierde ik. Ik deed de drugshandel niet echt om crimineel te zijn. Ik zag mezelf als sportman en zelfstandig zakenman. En ik was natuurlijk nog steeds de Joop waarvoor die jongen me had uitgekozen – want iedereen was bang voor me. Als er wat was, was ik de man die er heen ging en het oploste. Op ´t laatst hadden we alle dealers in Bergen op Zoom voor ons werken. Ik hield ze allemaal onder de duim. We moesten een eigen zaak oprichten om alle geld wit te wassen. Ik ging hier in Nederland vrachtwagens opknappen en verkopen. Toen kocht ik in Griekenland een bedrijf en daar verkocht ik m´n vrachtwagens dan weer aan, als je snapt wat ik bedoel.”

Vijfduizend kilo hasj per truck
,,Toen kwamen we in contact met de onderwereld van Amsterdam. Die zaten in de hasjhandel, vanuit Libanon, Marokko. En wiet uit Afrika. Nigeria. Ze vroegen ons, ´Kunnen jullie niet hasj uit Marokko gaan importeren´? Dus wij een serie nepbedrijven en BV´s oprichten en vrachtwagens opkomen om een transportbedrijf te beginnen. Zo gingen we aan de slag. We importeerden van alles uit Marokko: uien, tomaten, tongfilet. Het moest allemaal geregeld worden. Ingekocht en weer verkocht. Op het laatst at iedereen hier tongfilet. De tongfilet leek ons een slimme zet: duur product, exclusief uit Marokko, valt niks aan op, dachten we. Maar later kwamen we erachter hoe verschrikkelijk dom we bezig waren, want Marokko levert helemaal geen tongfilet – de tongfilet die wij daar inkochten kwam helemaal uit Nederland. Het was zo doorzichtig als maar kan! Maar ja, het lukte. En in iedere vrachtwagencontainer zat minimaal vijfduizend kilo hasj, soms twaalfduizend. Mijn maat zegt tegen me, ´Joop, ik heb zitten rekenen. Jij en ik verdienen nu vijftigduizend gulden per uur´. Het ging steeds verder. We gingen hier graafmachines opkopen en naar Marokko exporteren, alles om maar zoveel mogelijk vrachtwagens heen en weer te laten rijden.”

Dealer doodgeslagen
,,Er wordt een dealer doodgeslagen in Bergen op Zoom. En ik was de man die alles leidde en beveiligde. Nu staat er opeens een dealer bij mij in St. Maartensdijk aan de voordeur. Dat bestond niet! Kijk, alles gebeurde in Bergen op Zoom. Bij ons in St. Maartensdijk waar ik toen woonde kwam haast nooit iemand. Maar die dealer komt binnen en zegt, ´Joop, jij zou ons toch beveiligen, hoe gaan we hier nu mee om?´ En me vrouw staat erbij. Ik zeg, ´Niks aan de hand, ik zet alles recht´. Toen zeg ik tegen me vrouw, ´Gaat even zitten, ik moet je wat uitleggen. Er verandert helemaal niks, alles blijft hetzelfde. Alleen jij weet nu iets wat je niet wist: ik verhandel geen whisky, maar cocaïne. Verder is er niks aan de hand´. Het is nooit meer goed gekomen tussen haar en mij. Ze walgde ervan, van het geld dat ik ermee verdiende, de Mercedes die ik ermee gekocht had, wilde nergens iets mee te maken hebben.”

,,Van de cocaïne moest ik zelf ook niks hebben. Ik gebruikte nooit, ik was nog steeds sportman en zakenman. Toen ik erachter kwam dat mijn compagnon stiekem gebruikte was ik geschokt. Mijn eerste keer was op een feestje. We gingen natuurlijk met al ons geld naar steeds gekkere feesten, het was bizar. En cocaïne wordt aangeprezen als elitespul, hè. ´Dit gebruikt de jetset! Advocaten, acteurs. Het is duur en exclusief´! Dat zeg ik tegenwoordig ook altijd tegen de jongelui op scholen waar ik kom voor preventiewerk. Trap er niet in. Ik moet zeggen, de eerste keer beviel het mij gelijk. Ik werd er rustig van en energiek tegelijk. Ik nam af en toe ´s wat vaker. Je bent nooit meer moe, je kan er veel harder tegenaan. Net iets voor mij. Op het laatst gebruikte ik twintig gram per dag. Bizar veel. Dat deed ik allemaal thuis, want niemand mocht het weten natuurlijk. Ik schaamde me nog meer voor het gebruiken dan voor het verhandelen.”

´Pa, ga nou sterven!´
,,Ik word gebeld. April ´92. Me vader ligt in het ziekenhuis. Op sterven. Met me moeder had ik al haast geen contact meer, ze waren gescheiden. Me broer zag ik ook nooit. Ik ga naar het ziekenhuis. Die arts zegt tegen mij, ´Je vader is heel ernstig ziek. We kunnen ´m opknappen, maar dan heeft-ie niet langer dan een jaar en dat jaar zal een verschrikkelijke lijdensweg worden.´ Hij zegt, ´Maar er is ook een alternatief´, dat noemden ze toen passieve euthanasie. ´Dan is-ie binnen zes uur rustig gestorven´. Ik zeg, ´Hee. Jij weet niet wat je zegt, man´. Ik zeg, ´Die man, hè, die vind ik geweldig. Die man is mijn afgod´. Ik ga naar huis, pak m´n cocaïne, rij terug naar ´t ziekenhuis en neem het besluit: ik ga me vader laten uitdrogen. Ze geven me een schaaltje met citroenwater en een wattenstaafje en dat moet ik over z´n lippen heen en weer strijken, zo, totdat-ie langzaam uitdroogt en sterft. Het kon zes uur duren, maar het duurde drie dagen. Op het laatst pakte ik ´m vast, zo, ´Pa, ga nou alsjeblieft slapen! Je zoon is een geslaagde zakenman, een kampioen, hij heeft ´t goed gedaan – ga nou sterven!´ Na de begrafenis wachtte iedereen af: hoe zal het met Joop gaan? ´Heb je geen verdriet, Joop?´ ´Ik? Verdriet? Kom op, man! Als me vader dat hoort, draait-ie zich in z´n graf om!´ Ik ging alleen maar harder te keer. Feesten, seks, vechten. Toen werd ik gearresteerd wegens drugshandel. September ´92. Terwijl ik bij een andere vrouw in bed lag. Dat doen ze d´rom, hè, om je nog verder te vernederen. En tóen de rechercheurs het mij uitlegden besefte ik pas wat voor een grote crimineel ik was! De bewakers in de gevangenis van Middelburg mochten niet met me praten. Als ik uit m´n cel kwam, moesten alle andere gedetineerden naar binnen. Ik was een groot gevaar. Alleen het interesseerde me helemaal niks meer. Want iedere keer dat ik m´n ogen dicht deed zag ik me vader sterven. Pas na maanden kon ik een foto van ´m verdragen op de tv in me cel. Voor hem had ik alles gedaan. De cel was helemaal geen straf voor mij. Weet je wat een straf is? Je eigen vader laten uitdrogen en voor je ogen dood laten gaan. Terwijl ik in de gevangenis zat, scheidde m´n eerste vrouw ook nog van me en is m´n compagnon vertrokken. Geëmigreerd. Ik weet waar-ie zit, hoor. Maar het kon niet. Hij was me vriend, me maat! Al die jaren wist niemand wat ik allemaal deed, behalve hij. We deden alles met elkaar behalve naar bed gaan. Het kon niet dat hij me in de steek had gelaten. Door die verliezen was ik in de gevangenis niet meer te hanteren. Ik werd de baas in de gevangenis. Ik bepaalde daar alles. Ik had lijfwachten, ik was de man. Ik heb negentien maanden in De Schie in Rotterdam gezeten, ik zat er op twee na het langst van iedereen, en vijftien maanden in de Geerhorst in Sittard.”

 
Geen grenzen meer
,,De dag dat ik vrijkwam, werd ik opgehaald door een stel criminelen. Daar heb ik eerst een poosje bij ingewoond. Binnen veertien dagen liep ik weer met een kilo cocaïne onder me jas. De gevangenis is nutteloos. Je komt er alleen maar mensen tegen die slecht zijn, je wisselt informatie uit, je wordt nog slechter. Toen ik erin ging was ik nog Joop, maar toen ik eruit kwam was ik veranderd in een beest. Ik was echt beschadigd. Ik was gewoon eng. Het had in alle kranten gestaan wat voor een grote crimineel ik was, dus nu hoefde ik ook niks meer te verbergen. Ik had geen grenzen meer. Doordat ik geen vaste woon- of verblijfplaats had kon ik ook makkelijk handel drijven. Ik verdiende gelijk héél veel geld. Ik huurde een groot huis op de Wouwse Plantage. Nadat mijn compagnon me belazerd had kon ik geen vrienden meer krijgen, ik kon ook geen vrouw meer vertrouwen. Niemand meer. Dat maakt je pas echt gevaarlijk. Ik kreeg wel een relatie en na drie maanden werd ze zwanger. Ik werd vader. Dat was zó belangrijk, nu kreeg ik er weer familie bij! We gingen allebei stoppen met drugs. Ik zag mezelf helemaal trouwens niet als verslaafde: ik was Joop en Joop stopt wanneer die wil. Maar het lukte natuurlijk niet. De zwangerschap was een verschrikking. Het was een en al ruzie, drugs, bedrog, strijd. Ook nadat me dochter geboren werd. Toen kreeg ik toch weer een vriendje. Hij was behalve aan drugs ook aan gokken verslaafd, maar dat gaf niks want ik had geld. Hij had op een bepaald moment bijna honderdduizend gulden schuld bij me. Toen wou die weer geld lenen om een pistool te kopen. Ik zeg, ´Jij bent me vriend, jij krijgt van mij een mooi pistool´. En ik gaf ´m er een. Toen zegt hij, ´Ik ga het je allemaal terugbetalen. Kom op 2 januari maar langs.´ Van mij hoefde het niet, ik had geld zat. Maar hij had een nachtbar en ik dacht, ´Misschien is de Kerst- en Nieuwjaarsomzet zo hoog dat het kan´. Okee. Ik erheen, om een uur of vier ´s nachts, want om vijf uur gaat die bar open. Ik zit bij ´m aan tafel, hij zegt, ´Heb je wat te snuiven?´ Ik geef ´m wat en hij legt een lijn cocaïne van wel zó groot. Ik zeg, ´Niet doen, joh, da´s veel te veel´. En op de tafel heeft hij die pistool liggen in één keer snuift hij die cocaïne op, pakt dat pistool en schiet zichzelf zo door het hoofd. En hij was me vriend, hè, vergeet dat niet. Met míjn cocaïne en míjn pistool. Man, z´n hersens zaten tegen de muur. En nu dacht de politie en iedereen dat ik ´m gedwongen had zelfmoord te plegen vanwege die schuld. Nu was ik zo eenzaam. Voor de mensen bestond Joop niet meer, nu was ik alleen nog maar een crimineel. M´n advocaat zegt, ´Niet praten met de politie, dadelijk verklaren ze je voor gek en krijg je levenslang tbs´. Moet je nagaan, zo ver was ik heen dat dat een reële mogelijkheid was. Maar van binnen was ik nog steeds de gevoelige Jopie die wéér iets was kwijtgeraakt wat ´m lief was.”

Politieman Meino Dam: ,,Joop was echt een zware crimineel. In die tijd had hij echt een naam. In Bergen op Zoom kende elke politieman ´m. Het was een figuur waar heel veel mensen heel erg bang voor waren. Later toen hij op de Wouwse Plantage woonde, ben ik wel ´s bij hem aan de deur geweest. Toen was hij net een beest, hoor. Hij had die enorme spierballen en hij spoot zich helemaal vol met amfetaminen. Door die amfetaminen heb ik het meest intensief met hem te maken gehad. Op een gegeven moment had hij een xtc-lab waar ik hem voor op de hielen zat.”

Een wonderkind
,,Ik zat nog steeds in de criminaliteit. Ik had inmiddels een amfetaminelab waar we eigen amfetaminen produceerden. Dus ik verdiende heel veel. Maar al me mensen deden de productie en ik zat alleen thuis drugs te gebruiken. Oké Nu gaan we het over me dochtertje hebben. Ze was een wonderkind. Oh, ze kreeg op het consultatiebureau overal tienen voor. En heldere ogen! ´Net als d´r vader´, zeiden ze – maar mijn ogen stonden strak van de drugs natuurlijk. Binnen twee maanden had ze hersenvliesontsteking. Ze was meer dood dan levend. Achteraf is het een Godswonder dat ze het heeft overleefd. Daarom is nu Romeinen 8:28 mijn bijbelvers: God doet écht alle dingen meewerken ten goede. Alles. Hoe bizar ook. Want hij is almachtig. Hij wil ons vormen, leiden, liefhebben. Als we Hem maar liefhebben en ons laten vormen. We gaan verder. Ze ligt nu in het ziekenhuis. Een privé-kamer. Vierentwintig uur per dag sliep ik daar. Ik kon daar niet tegen, hè. M´n dochtertje mocht ik niet verliezen. Ik zeg tegen die arts, ´Hé. Als jij me dochtertje niet beter maakt, haal jij je auto niet, want dan schiet ik je af´. Hij zegt, ´Ik laat me niet bedreigen. Als u zo doorgaat laat ik u het ziekenhuis uitzetten´. Ik zeg, ´Hé. Ik kóóp nu dit ziekenhuis, man. Weet je wel wie je voor je hebt? Bel de politie maar en vertel ze maar dat jij Joop Gottmers in je ziekenhuis weigert! Dan weten we wat we aan mekaar hebben!´ Ze overleeft ´t. Later krijg ik problemen in de onderwereld. Er waren mensen met wie ik geen zaken wilde doen en dat zat ze dwars. Ze hebben eerst mij in elkaar geslagen – en je weet ´t, je moest van goeie huize komen om Joop in elkaar te slaan. Maar ze hebben me opgewacht. Kijk, ik boks al m´n hele leven dus ik weet exact hoe lang een minuut duurt, óók als je in een benarde positie zit. Die gasten hebben minútenlang op mij in getrapt, terwijl ik op de grond lag. Op ´t laatst hoorde ik ze zeggen, ´Hij is dood, wegwezen!´ Ik kon niet eens meer lopen, ik had meerdere botbreuken, m´n hoofd was kapot. Ik werd met een ambulance afgevoerd. Maar lang ben ik niet gebleven in het ziekenhuis. Het eerst wat ik deed toen ik eruit kwam was die gasten bellen. ´Nu hebben jullie een fout gemaakt´. En toen pakten ze m´n dochtertje. Ze werd zo uit de kinderwagen gehaald. Om mij rustig te houden. Uiteindelijk kwam ze terug, ze heeft alles overleefd. Ze is nu tien. Ze heeft natuurlijk de nodige schade opgelopen door alles wat ze moest meemaken. Maar God heeft alles in de hand.”

´Die mannen moesten dood´
,,Nadat ze me dochter hadden gepakt was ik buiten mezelf. Kijk, ik heb me vader een mes door z´n hoofd zien krijgen die er hier bij z´n onderkin inging en er hier bij z´n andere wang weer uitging – en hoe kwam dat? Doordat ze aan míj hadden gezeten. En nu moest ik wat mijn dochter was aangedaan rechtzetten naar de tevredenheid van me vader. Er kwamen nu zulke achterlijke dingen in me hoofd op. Die mannen moesten allemaal dood, maar hoe ik het bedacht had, dat had ik nog nooit op ´t acht uur journaal gezien. Ik ging twijfelen. ´Ik word gek´, dacht ik. Ik zat daar helemaal alleen drugs te gebruiken, me dochter mocht ik niet zien, me relatie stuk. En toen nam ik de beslissing om er op m´n verjaardag een einde aan te maken. Ik zou 3 mei 35 worden. Ik had niks meer te vieren. Ik ging mezelf door het hoofd schieten, zelfde als me maat gedaan had. Het was een zaterdag. Het begint licht te worden en m´n pistool ligt naast me op de bank. Om negen uur ga ik de trekker overhalen, want om half elf moet ik kickboksles geven aan een groep jongens, in de sportschool die ik aan me huis had gebouwd. Ik heb de pistool in me hand, de deurbel gaat. Ik loop naar de deur en doe open. En daar staan de jongens die ik les moet geven. En ze beginnen te zingen: ´Lang zal die leven…´. Zonder dat ik het wist, greep God die ochtend in. Hij heeft me leven gered. Als dat niet was gebeurd, was ik al negen jaar dood. De jongens hadden het zelf georganiseerd. Ik kon niet anders dan ze binnen laten. Ik heb ´t cadeau uitgepakt en toen moest ik ze om half elf lesgeven. Omdat ik zelfmoord ging plegen had ik een stuk of tien kalmeringstabletten ingenomen. Normaal gaan daar drie olifanten van slapen. Maar de drugs en de adrenaline compenseerden dat: ik werd alleen maar rustig. Na de les denk ik, ´Weet je wat, ik ga me dochter zoeken´. Dus ik rij naar m´n ex. Ik kom daar aan de deur, ze doet open. Maar ze wil me niet binnenlaten. Het is m´n verjaardag en ik mag me dochter niet zien. Ik zeg, ´Weet je wel dat ik bijna zelfmoord heb gepleegd?´ Ze zegt, ´Had ´t maar gedaan!´ Ik pak ´r met één hand bij de keel en druk haar zo tegen de deurpost. Met de andere hand haal ik het pistool uit me zak en zet ´t aan m´n eigen hoofd. Ik zeg, ´Oké, dan mag jíj ernaar kijken´. Ze zegt, ´Toe maar, schiet maar, schiet alsjeblieft!´ Haar stem werd helemaal duivels doordat ik haar keel dichtkneep. ´Schiet! Schiet!´ schreeuwt ze. Ik was helemaal de weg kwijt. Ik liet los, stapte in de auto. Ik kon nog geen dertig kilometer per uur rijden terwijl die wagen wel driehonderd kon. Toen werd er een arrestatieteam op me af gestuurd; m´n ex had gezegd dat ik haar met een pistool bedreigd had. Maar de arrestatie mislukte en ik werd voortvluchtig.”

´Rust heb je niet, hè?´
,,De mensen die me hielpen onderduiken voor de politie hadden een antiek zilveren serviesje. Ik weet niet hoe ze eraan kwamen, maar ze gaven het aan mij, ´Hier, misschien heb je er wat aan´. Ik naar een antiquair hier in Lepelstraat. Ik zeg, ´Kunt u wat met dit serviesje?´ Hij kijkt me aan en zegt, ´Rust heb je niet, hè?´ Ik zeg, ´Nee, rust heb ik niet´. Ik denk, ´Hij zal wel bedoelen dat ik dat serviesje gestolen heb´. Hij zegt, ´Weet je waarom je geen rust hebt? Dat komt dat je God niet kent´. Ik zeg, ´Jij spoort niet, joh!´ Hij zegt, ´Jij bent toch Joop, die crimineel?´ Je kon natuurlijk van een kilometer meter af zien dat ik crimineel was: gouden kettingen, een lange Hugo Boss jas, dure kleren. Hij zegt, ´Weet je wel dat Jezus Christus voor jou gestorven is om je te redden van je zonden?´ Ik zeg, ´Jij spoort niet, man! En me servies krijg je ook niet!´ En ik loop weer weg. Hij roept nog, ´Je moet in de bijbel gaan lezen!´ Ik denk ´Die man is gek, wegwezen hier!´ Een aantal dagen later wil ik weer zelfmoord plegen. Nu door zoveel mogelijk cocaïne te roken in de hoop dat me hart het zal begeven. En ik ben die nacht bezig en al maar komen die woorden terug, ´En dat komt omdat je God niet kent – en dat komt omdat je God niet kent…´ Ik was helemaal de weg kwijt, het was zo eng. Ik kroop op het laatst over de vloer om Hem te zoeken, zo dichtbij leek Hij wel. Ik werd zo bang dat ik onder het denkbed kroop tot het licht werd. De cocaïne mislukte en zodra de winkels open gingen ging ik de volgende ochtend terug naar die antiquair. ´Vertel me maar over die God van jou dan, want ik word helemaal gek van Hem!´ Hij zegt, ´Ik wist dat je terug zou komen. Jij moet God zoeken, Hij zal je rust geven´. Ik zeg, ´Oh ja? Moet ik God gaan zoeken? Dan ga ik God zoeken!´ Ik zat nog ondergedoken, maar na een paar weken besloot ik mezelf aan te geven. Ik wilde niet meer, ik leefde als een beest. Ik heb niks bekend. Wel dat ik bij m´n ex was geweest, maar niet dat ik daar met een blaffer had staan zwaaien. Na een paar dagen was ik weer vrij. Toen ging ik weer naar die antiquair. Hij zegt, ´Je moet mee naar de bijbelstudie, iedere maandagavond in de Oesterschelp´. Ik zeg, ´Ga weg, man! Zie jij mij al naar een bijbelstudie gaan?´ Maar ik wilde. Kijk, je gaat iets héél nieuws doen, iets wat je nog nooit gedaan hebt. Dat is wel zó eng! Dus ik spuit m´n eigen vol met amfetaminen, ik trek m´n kogelvrij vest aan. Pistool? Ja, pistool ook mee in de holster. Die allereerste bijbelstudie – ik weet niet meer wat er verteld is, maar het was wel zó… – wat die man vertelde greep mij wel zó aan. Het was net of God zelf zei, ´Joop, tot hier niet verder. Vanaf hier ga je met Mij mee´.”

Ad van der Wiel, oudste bij de evangelische gemeente De Oesterschelp: ,,In die beginperiode was Joop schuw en wantrouwig, vol onrust. Het was een hele crimineel die daar naar die bijbelstudies kwam.”

Joop: ,,Zeven maanden lang ben ik íedere maandagavond naar de bijbelstudie geweest. Ik miste er nooit een. Negen van de tien keer kwam ik te laat. Ze legden me uit dat dat te maken had met de strijd die gaande was om mijn ziel en ik begon dat te herkennen. Iedere maandag was er wel iets waardoor ik haast niet naar de bijbelstudie kon: een verkrachting, een vechtpartij, een probleem met een dealer. De duivel wilde me niet zomaar laten gaan, hij trok enorm aan me. Maar ik kwam er toch elke maandag en dan klaarde het weer even voor me op. Als ik ´s avonds thuis kwam van de bijbelstudie ging ik gelijk weer aan de drugs, dauwde een pornofilm in de video en liet een paar vrouwen komen. De hele week door was het seks, drugs en de organisatie draaiende houden, maar maandagavond zat ik op de bijbelstudie – in het diepste geheim natuurlijk, want je loopt er als drugsbaron niet mee te koop dat je elke week naar de bijbelstudie gaat. Rinus, de voorganger van de Oesterschelp, zei tegen me, ´Je moet stoppen met die drugs en die handel´ en dan zei ik, ´Ja, maar als ik nog één deal sluit dan kan ik met dát geld voor God gaan werken´. Ik zat er nog zo diep in. Maar ik begon me wel te ergeren aan die mensen waar ik mee omging. Die zaten zich daar te verrijken aan andermans ellende. Net als ik natuurlijk. Maar ik begon het smerig te vinden.”

Rokend achterin de kerk
,,Toen miste ik één bijbelstudie. En dat vond ik zó erg, ik durfde niet weer te gaan. Dus ik zeg bij mezelf, ´Oké. Dan ga ik nu maar naar de kerk´. Natuurlijk had ik die zondag weer veel te veel drugs gebruikt. En met me pistool op zak rij ik naar de kerk toe in Tholen waar de bijbelstudie ook vanuit ging. Ik kom daar die parkeerplaats oprijden en zet m´n wagen vlak voor de deur neer, precies in een vak waar met grote witte letters staat, ´Niet parkeren´. Ik steek een sigaret op en loop naar binnen. Toen komt er een mevrouwtje en die zegt, ´Meneer, u mag hier binnen niet roken, hoor´. Ik zeg, ´Hee. Joop mag overal roken.´ En even later brengen ze me een asbak. En zo sta ik daar rokend naar die kerkdienst te luisteren. Ik begreep er niks van, ik was er duidelijk niet aan toe. Maar mijn hart – en daar kijkt God naar – ging er wel naar uit. Dat was zondag. Die donderdag erop word ik gearresteerd wegens drugshandel. En op het moment dat ik gearresteerd werd zei ik tegen mezelf, ´En nu stop ik ermee. Dit is ´t moment dat ik afscheid neem van m´n criminele leven en m´n verslaving´. In de politiecel vroeg ik de politie of ze wat voor me te lezen hadden. ´Hier´, zegt die agent, `Lees dit maar´. Ik weet niet of het als grap bedoeld was, maar hij gooit een Bijbel naar binnen. Ik heb daar veertien tot zestien uur per dag in de Bijbel zitten lezen. Hele dagen. Ik begon zelfs zo te práten zoals het in de Bijbel stond! Ik gaf verklaringen af dat ik dacht, ´Ik lijk wel een apostel!´”

Een proeftijd van Jezus
,,Ik zat vast voor drugshandel. Toen moest ik voorkomen omdat ik een pistool op het hoofd van m´n ex zou hebben gezet. Ik ging bidden. Had ik nog nooit gedaan. ´Jezus, wilt u zorgen dat het goed afloopt, Amen.´ En in die rechtszaal begint de moeder van m´n dochter ineens eerlijk te vertellen dat het niet háár hoofd was, maar het mijne. Ongelooflijk. Maar ik zeg, ´Dat liegt ze, ik had helemaal geen pistool bij me´. Ik werd vrijgesproken voor die zaak. En ik had ervoor gebeden! Maar ik had wel glashard staan liegen, hè. Terug in de gevangenis in Rotterdam gingen we eten, dus ik wil nu ook bidden voor het eten. Maar ik wil een hap nemen en het is net of ik ineens verlamd raak. Ik krijg de vork niet naar m´n mond. Dokter erbij, ik zat helemaal vast, kon die dag geen hap eten. De maanden daarna heb ik alleen maar gelezen, de Bijbel, boeken uit de bieb – ik wilde alles weten over de Bijbel. Hele dagen zat ik alleen maar te lezen. Er was een bewaarder die zei, ´Joop, jij bent wel héél erg veel bezig met de Bijbel´. Ik zeg, ´Ik wil ook voor honderd procent op God vertrouwen´. Hij zegt, ´Dat moet je niet doen, man. Je moet voor vijftig procent op God vertrouwen en voor vijftig op jezelf.´ Ik zeg, ´Je bent gek, jij. Ik heb m´n hele leven al op mezelf vertrouwd en moet je zien wat het me gebracht heeft´. Toen ging ik met een maat die ook in de Bijbel was gaan lezen naar de gevangeniswinkel en hij steelt een paar telefoonkaarten. Alleen hij stopt ze bij mij in de zak zodat hij niet gepakt word. En ik zeg niks, we komen ermee weg. Voor het eten wil ik weer bidden en opeens heb ik die verlamming weer. Ik krijg geen hap binnen. Ik wist gelijk, ´Dit is God´. Weer de dokters erbij, niks konden ze vinden. Maar ik wist ´t: ´Dit is van God. Ik ben de fout ingegaan. Ik heb gestolen en gelogen. Nu zal ik doodgaan´. Ik wist het zeker. Ik zag de gevangenis als een proeftijd van de Here Jezus. En ik was gezakt.”

´Dit is onmenselijk!´
,,Ik kreeg een brief van mijn ex. Ze wilde met m´n dochter op m´n verjaardag komen, 3 mei, of ik dat ook wilde. Dat kon niet! De verjaardag ervoor had ik nog geprobeerd zelfmoord te plegen omdat ik niemand meer had en nu was ik in de Bijbel aan het lezen en zou m´n dochter op verjaardagsvisite komen! Natuurlijk wil ik dat! Dus ik ga alles regelen. Ik vond het zo´n Godswonder. Een cadeautje van God. M´n verjaardag komt eraan en ineens krijg ik weer een brief. Die bewaarder komt eraan lopen, overhandigt me die brief. Ik was in de werkplaats. Weer van de moeder van m´n dochter. Ik scheur ´m open en ik lees, ´Joop, Joop, Joop´. Zo stond het er. ´Joop, Joop, Joop. Je dacht toch niet echt dat ik op je verjaardag zou komen met je dochter. Je mag haar nooit meer zien…´ Het kon niet. Het bestond niet. Het was het diepste punt. Als God liefde was zoals in de Bijbel staat, als God voor me wilde zorgen, dan bestond dit niet. Ik zeg tegen die bewaarder, ´Sluit me maar op´. Ik ga me cel in, hij doet de deur dicht. Het eerste wat ik zie is de Bijbel die daar ligt. Ik pak die Bijbel, doe me sigaret in de asbak. Ik was zo overstuur. Ik stond zo in me cel met die Bijbel, het hoofd naar boven. Ik zeg, ´Dit is onmenselijk! En ik heb nog in U geloofd ook! Als U echt liefde bent, Als U echt bestaat – dan moet U ´t me nu laten zien´. Ik ben stil. En op dát moment nam God ál mijn lasten van me af. Al mijn verdriet. Alles. Allemaal weg. Ik werd zo gelukkig, ik werd helemaal gek, joh! Ik ging stralen, je voelde de gloed van me afkomen. Ik begon te evangeliseren zonder ophouden. Ik werd onderzocht door een dominee, een pastoor, ze wilden allemaal weten wat er met mij aan de hand was. Maar ik was gewoon een nieuw mens geworden.”

´Als je Joop krijgt, krijg je God´
,,M´n tijd was om en ik stond weer op straat, nu als wedergeboren christen. Ik wilde nog maar één ding doen: God dienen met wat alles wat in me zat. Niemand wist ´t zo goed als ik, geen dominee kon tegen mij op – dácht ik. Maar ik zat fout. Ik werd opgebeld door een crimineel; ik kende natuurlijk alleen maar criminelen. Ik erlangs. En denk je dat ik hem het evangelie heb verteld? Geen woord. Geen woord heb ik over de Here Jezus gezegd. En toen ik wegging had ik twee potjes vloeibare amfetaminen onder me jas. Ik kom bij m’n huis en daar staat de moeder van m’n dochter. Dronken. Ze ziet me en begint me uit te schelden en te vervloeken, ´Jij viezerik, jij hebt m’n hele leven vergald, jij vieze, vuile…´  – en zo ging ze al scheldend en vloekend weg. Ik was kapot. Mijn leven had geen zin meer. Ik ga naar binnen, trek een paar spuiten amfetamine vol. Ik ga mezelf doodmaken. Maar opeens gaat de telefoon. Rinus, de voorganger van De Oesterschelp. Of ik met Pinksteren mijn getuigenis wil vertellen. En zo heeft God me wéér in leven gehouden. Het geld van de handel was allemaal weg of in beslag genomen, maar ik had natuurlijk wel een boel spullen, een duur huis, dure auto. Daar heb ik de eerste tijd van geleefd. Toen dat opraakte ben ik een bedrijfje begonnen in tweedekeus papier. Ik heb drie jaar achter de snijmachine gestaan. Toen kwam ik met Stichting Voorkom in aanraking. Ik ging voor ze werken als ervaringsdeskundige. Overal vertellen hoe drugs m’n leven kapot hadden gemaakt en hoe ik er vanaf was geraakt. We zijn een christelijke stichting. We evangeliseren niet, maar ik vertel natuurlijk wel wat God in mijn leven gedaan heeft. Nu verdien ik een salaris als preventiewerker. Dit is m’n vierde jaar als fulltimer. Iedere keer moet ik weer lachen dat ik, een van de grootste criminelen van Nederland, voor een klas kinderen op het schoolbord sta te schrijven. Er zijn scholen die zeggen, ´Niet teveel vertellen over die God van je´. Maar als je Joop krijgt, krijg je God.”

Politieman Meino Dam: ,, Ik heb Joop in het Huis van Bewaring wel ´s opgezocht. Hele gesprekken hebben we gehad, dat deed ´m geloof ik wel goed. Er schuilt in elk mens iets goeds, zeker ook in Joop. Dat besef heb ik altijd wel gehad. Je ziet ook dat hij er nu trots op is om goed te zijn. Als ik ´m tegenkom omhelst hij me zo midden op straat. Hij heeft het misschien altijd wel goed willen doen, maar bij sommige mensen lukt dat niet, of pas na lange tijd. Voor mij als politieman is het natuurlijk mooi om te zien hoe zo´n jongen na zoveel jaren zo uit de criminaliteit is gekomen.”

´24 uur per dag onder spanning´
,, De eerste tijd had ik de meest bizarre dromen en nachtmerries. De ene was nog erger dan de andere. Ik droomde dat er door een tsunami een lijk in mijn tuin was terecht gekomen en dat ik geen tijd had dat lijk op te bergen, zodat het ging rotten. Ik werd ´s ochtends vaak uitgeput wakker. God gaf me overdag zo´n liefde en rust, het moest er ´s nachts wel uitkomen. Als je zo´n leven hebt geleid… Momenteel zit ik in de ziektewet omdat mijn spieren steeds verkrampen; ik werk maar gedeeltelijk. Gisteren was ik bij een arts in het UC in Leuven, ze kunnen niet precies achterhalen wat er aan de hand is. Een professor was het. Hij hoort zo een stukje van mijn levensverhaal aan en zegt, ´Jij hebt zo´n ander leven gekregen dat je lichaam en je zenuwgestel er nog steeds aan moet wennen´. Volgens mij is dat het ook. Ik heb bijna vijfendertig jaar lang vierentwintig uur per dag onder spanning geleefd. En al die lezingen van de laatste jaren zijn me op een gegeven moment ook boven het hoofd gegroeid. Ik ging ten onder aan mijn eigen succes.”

Ad van der Wiel, oudste bij de evangelische gemeente De Oesterschelp: ,,Joop is geen eendagsvlieg in het geloof. Hij is na al die jaren stabiel gebleven. Z´n lange haren is hij niet verloren, maar hij is een mens geworden die vrede en blijdschap heeft. Voor iemand die pas tot geloof komt, is het een enorme strijd om het oude leven achter te laten en te volharden in het geloof. Helemaal voor zo iemand als Joop. Vroeger was hij rijk, nu heeft hij maar een bescheiden inkomentje. De verleidingen kunnen groot zijn. Maar ik heb hem zien volharden. Bij mijn weten is hij nooit teruggevallen in drugs of drank. Ik heb veel met hem opgetrokken. Hij was door zijn bekering weliswaar totaal veranderd, maar had sommige dingen nooit geleerd. Nu is hij bij ons in de gemeente jeugdleider, samen met zijn vrouw en enkele anderen. Hij spreekt de jeugd ontzettend aan, hij weet ernst en humor te combineren. En hij is natuurlijk extra gevoelig voor jongens die een verkeerde richting op neigen te gaan. Joops leven is een mooi voorbeeld van waarachtige bekering.”

´Natuurlijk ken ik schuldgevoelens´
,,Ze vragen mij wel ´s, ´Joop, heb je wel ´s iemand vermoord?´ Ten eerste mag je me die vraag niet stellen, want liegen mag niet en dan zou je me dwingen om jou te vertellen of ik iemand heb vermoord of niet. Ten tweede maakt het weinig uit, want ik heb zoveel drugs verkocht dat het niet anders kan dan dat er velen door mijn toedoen zijn doodgegaan. Maar nee, ik heb nooit iemand vermoord. Dat is me bespaard gebleven. Natuurlijk ken ik schuldgevoelens. Nadat ik tot geloof gekomen was heb ik vergeving gevraagd aan de mensen die ik het kón vragen. Voor de rest heb ik gebeden dat God ál mijn zonden, ook mijn verborgen zonden of de zonden die ik me niet kan herinneren, wil vergeven. Ik heb zoveel misdaan, er is echt geen lijstje van te maken: het was een en al zonde. Sommige dingen gingen zoals ze gingen. Zou ik me vader nu nog steeds laten uitdrogen? Nee, dat zou ik nu niet doen. Maar als ongelovige was dat de laatste eer die ik me vader kon bewijzen. M’n contacten in het criminele circuit heb ik allemaal opgezocht en verteld wat er gebeurd was. Ik heb ze het evangelie verteld. De politie heeft me wel ´s gevraagd mee te werken aan onderzoeken, maar dat doe ik niet. Ik zeg tegen ze, ´Ik ben wel bekeerd, maar niet om politieman te worden’. Ik heb ze ook niet alles verteld wat ik van anderen wist. Laat zij hun werk maar doen, dan doe ik het mijne. Ik geloof trouwens niet dat ik nu nog informatie heb waar ze concreet iets aan zouden hebben. Intussen heeft God me een lieve gelovige vrouw gegeven. Toen ze me leerde kennen zei ze, ´Jij hebt nooit liefde gekend en je weet niet wat het is om liefde te geven. Maar ik ga je het met Gods hulp leren´. Ik heb alle criminelen die ik kende op onze bruiloft uitgenodigd en ze zijn gekomen ook. Er zat daar héél wat geld. Op de receptie hadden we iemand gevraagd om in een speech het evangelie uit te leggen. Ze zeiden allemaal dat ze nog nooit zoiets hadden gevoeld. Die mensen doen de gekste dingen, op de gekste feesten. Maar dit kenden ze niet. Dat is Jezus. Hij is liefde. Hij is mijn vader, mijn onderwijzer, degene die altijd over mij waakt. Hij is alles voor mij.”

 


Drugs
- "Mijn huis was veranderd in een drugsfabriek"
- Hank was overtuigd atheïst en las bijna nooit in de Bijbel: "En toch droomde ik over Jezus"
- Hoe de Bijbel het leven van ex-drugscrimineel David Vonk veranderde
- Kira vervoerde én gebruikte veel drugs: "Ik kocht van drugsgeld mijn eerste Bijbel"
- "Ondanks mijn drugsgebruik bleef ik bidden"
Meer over Drugs »

Start het gesprek

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
Vakanties
Hier adverteren?
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals

Beluister onze Podcast!

iTunes Stitcher Spotify
Krijg volledige toegang tot CIP.nl. Start je gratis maand!