Rohingya Bangladesh

Aangrijpend fotoverhaal: het verhaal van een vluchteling

12-01-2018 door Wendy van Amerongen, Medair

Ziek en uitgeput kwamen ze aan, met een onbeschrijfelijk verdriet in hun hart, niet in staat om te rouwen over hun verlies. Dagenlang liepen ze door de jungle, rijstvelden en bergen. Tenslotte zijn ze de gevaarlijke rivier overgestoken in een gammele boot. Ze hebben het overleefd, maar niet allemaal. Twee kinderen in de basisschoolleeftijd zijn op een gruwelijke manier omgekomen, zonder dat hun ouders erbij waren om hun hand vast te houden. Wendy van Amerongen was in Bangladesh bij het uitdelen van noodpakketten onder de Rohingya’s. Dit is het verhaal van de vluchtelingen Zuwail (32) en Unia (30).

Op 25 augustus vielen opstandelingen politie- en legerposten aan in de westelijke staat Rakhine in Myanmar. Daarna brak op grote schaal geweld uit en raakten veel mensen ontheemd. Sindsdien zijn meer dan 645.000 mensen uit Myanmar naar het buurland Bangladesh gevlucht. Wanneer u dit leest, zal dat enorme aantal nog verder gestegen zijn. Wekelijks komen er duizenden nieuwe vluchtelingen aan. In de gesprekken die ik met enkelen van hen heb, hoor ik beschrijvingen van moord, verkrachting, platgebrande huizen, tranen en verschrikkelijke reizen. Ik ontmoet moedige weduwen, ouderen, kinderen en gehandicapten.

Vanaf de Medair-basis in Cox’s Bazar rijden we twee uur totdat we bij de ingang van het kamp Thaingkhali zijn. We volgen de ‘oceaanweg’, waar je vissers aan het werk ziet en toeristen van het strand genieten. Ik kan eindeloos blijven kijken naar de beweging van de golven in de oceaan. Maar als we van de oceaan wegdraaien om naar het kamp te gaan, verandert het landschap. Bij het kamp aangekomen zie je kilometers ver geïmproviseerde onderkomens, kinderen op blote voeten, kleine marktplaatsen en mensen die aan de straatrand zitten. Het kamp is onvoorstelbaar groot.

Zuwail en Unia zijn een van de rouwende families die ik ontmoet. Na een lange, moeizame klim in de blakende zon kom ik aan bij hun ‘plek’. De aanblik grijpt me aan. Mijn adem stokt en ik kijk weg over de eindeloze rijen tenten onder ons terwijl ik mijn tranen probeer te onderdrukken. Het jonge gezin met de twee overgebleven kinderen slaapt in de open lucht totdat ze met bamboestokken en zeil iets kunnen opzetten. Ze hebben geen bescherming tegen de elementen. Ze hebben maar één deken en een klein stuk dekzeil. Verder een pot, een pan, een jerrycan en de kleren die ze aan hebben. Dat is letterlijk alles wat ze bezitten.

Voor de crisis hadden ze een eenvoudig leven. Ze overleefden dankzij de hulp van hun buren en hadden geen eigen huis, maar wel kleren en eten en betaald werk. Ze willen terug naar Myanmar.

Maar op een morgen werd hun dorp aangevallen. Mannen schoten en staken de huizen in brand. Zuwail: ‘Iedereen begon weg te rennen. We verloren twee kinderen uit het oog, wat waren we bang. Iedereen probeerde zichzelf in veiligheid te brengen en we konden niet stoppen om iemand anders te helpen. Maar er renden zo veel mensen. Ik wilde ons gezin in veiligheid brengen, ik wilde de grens oversteken… en nu heb ik gehoord dat onze twee kinderen omgekomen zijn. We zullen ze nooit weerzien. Ik moet veel huilen, maar ik kan niet terug.’

Onder deze omstandigheden zijn we begonnen met ons werk: verstrekken van onderdak- en hygiënepakketten aan ongeveer 22.500 Rohingya-vluchtelingen. Deze minderheid is jarenlang onderdrukt en het was niet gemakkelijk om voor de gerichte distributie de meest kwetsbare mensen te vinden. Iedereen heeft op de een of andere manier onze hulp nodig, net als Zuwail en Unia. Ze hebben allemaal verhalen van verlies en zijn bijna allemaal naar de overvolle kampen gevlucht met alleen de kleren aan hun lijf.

Onze projectmanager Gaby vertelt: ‘We vergeten vaak dat alle families in de rouw zijn; ze hebben zo veel trauma’s opgelopen. Toen we net aankwamen, vertelde iedereen over wat er gebeurd was. Nu praten ze over de praktische dingen, wat ze nodig hebben. Het trauma is nog zo vers, maar ze moeten blijkbaar verder. Dat is een van de redenen dat ik hier ben. We werken vanuit de waarden van Medair en gaan naar de behoeftige, vergeten mensen in afgelegen gebieden toe. We laten hen zien dat er iemand aan hen denkt en hulp wil bieden.’

Zuwail gaat verder met zijn aangrijpende verhaal: ‘We deden er vier dagen over om bij de rivier te komen. We moesten een paar keer stoppen, het was een zware tocht. We hadden bijna niks te eten, alleen wat rijst. Water moesten we drinken uit plassen. Bij de grens bood iemand aan om ons met zijn boot over te zetten. We hadden geen geld, maar hij wilde ons toch helpen omdat hij zag dat we heel arm waren. We hadden alleen wat kleren bij ons, maar zelfs die konden we niet meenemen. De boot zat zo vol. Mensen die helemaal niets meer hadden. We waren bang, want we kunnen niet zwemmen. We hadden nog geluk, want een eindje verderop zonk een boot. Ik denk dat iedereen is omgekomen, ik zag ze verdrinken.’

Ik kan me niet voorstellen wat deze mensen doormaken.

Zijn vrouw Unia gaat verder: ‘Het gaat heel slecht met me, mijn hart is onrustig. Ik heb mijn kinderen niet kunnen redden. Een van onze kinderen is ziek, hij heeft koorts en moet steeds hoesten. Gelukkig delen onze buren wat eten met ons en krijgen we hulp vanuit het buitenland, dat zien we. We hebben nu echt onderdak nodig. En een paar emmers om schoon water te halen. Dankjewel dat jullie ons een tegoedbon hebben gegeven. Nu kunnen we zeil krijgen. We gaan het maandag ophalen.’

Twee dagen later ontmoet ik hun tienerzoon Kafai. Hij staat op de distributieplek in de rij te wachten. Met neergeslagen ogen vertelt hij over zijn broers: ‘Vroeger speelde ik met mijn broers, in Myanmar voetbalden we en waren we samen. We waren heel gelukkig samen.’ Hij zal nooit meer met hen kunnen voetballen. Hij houdt de tegoedbon in zijn hand en kijkt voor zich uit naar de lange rij.

Het onderdak- en hygiënepakket lijkt maar weinig na alles wat deze mensen hebben meegemaakt, maar ik weet dat het veel voor hen betekent. Wanneer hij eindelijk aan de beurt is om zijn bon te laten afstempelen en een vingerafdruk te geven, kan hij de spullen meenemen. Zijn intens verdrietige blik is niet verdwenen. Hij heeft zo’n groot verlies te dragen en zal deze spullen nooit samen met zijn broers kunnen gebruiken. Hij vertelt me: ‘Het doet pijn. Ik heb veel gehuild.’ De tranen wellen weer bij hem op: ‘Ik wil naar school om te lezen, maar ik weet niet of er een school is. Als er geen school is, dan wil ik hier een winkeltje, waar ik dingen kan verkopen en geld verdienen. We hebben geen geld We hebben niets. Ik weet niet eens hoe we het zeil gaan ophangen dat we krijgen, want we hebben geen geld voor bamboe. Maar ik ben er blij mee. Dankuwel. Het zal ons wel lukken. U kunt morgen langskomen, dan kunt u zien hoe we het gebruiken.’

Er is een levendige handel in bamboe in de kampen. Ik zie bijna dagelijks vrachtwagens met bamboe aankomen. Dit is wat de mensen gebruiken om huizen te bouwen. Maar dat kan alleen als je geld hebt. En Kafai en zijn familie hebben dat niet. Ze hebben bijna niets. Ze gebruiken hun enige jerrycan en hun pot en pan als kussens voor het slapen. Ze moesten alles achterlaten.

In de drie weken dat ik voor Medair in de Rohingya-vluchtelingenkampen werk, hoor ik steeds weer dit soort verhalen.

Ontvang het online magazine voor christenen!

Daily Newsletter
Weekly Newsletter

Twee dagen later ga ik opnieuw bij ze langs om te zien hoe het gaat en of ze de spullen kunnen gebruiken. Ik kom aan op de plek waar ze in de open lucht sliepen. De plek is leeg, zelfs de deken en het kleine zeil zijn weg. De buren vertellen dat ze verhuisd zijn. Dat is goed nieuws, ze hebben misschien een andere plek gevonden. Hopelijk is het een betere plek. Ik volg de aanwijzingen en tref de familie aan in een echt onderkomen van bamboe en dekzeil. Hun grote nood is ook opgemerkt door een andere hulporganisatie en van hen hebben ze dit onderkomen gekregen. Met de materialen die ze van Medair hebben gekregen, is het een enorm verschil.

Hun jongste zoon van 20 maanden zit op een schoon, stevig zeil en zijn moeder strijkt door zijn haar. Toen we elkaar de eerste keer spraken, waren hun antwoorden dof, leeg en vol angst. Nu zie ik een kleine verandering. Een klein sprankje hoop, een teken van leven in hun ogen, de wil om weer te overleven en om er het beste van te maken voor hun kinderen. Het zijn hun veerkracht en ongelofelijke moed die het gezin bij elkaar houden. Ik ben heel dankbaar dat we daaraan iets hebben kunnen bijdragen.

De angst en het trauma dat deze mensen met zich meedragen hebben me echt geschokt. Wat hebben ze allemaal doorgemaakt en meegemaakt in Myanmar? Ik hoor verhalen over vermoorde kinderen, ouders en echtgenoten, verscheurde families, verwondingen, verkrachtingen. Er heeft zo veel vreselijk geweld plaatsgevonden en het zal veel tijd vergen om het verlies een plek te geven. Voorzien in een paar basisbehoeften lijkt maar weinig voor te stellen. Maar ik weet dat het gezin van Zuwail nu een zorg minder heeft...

Bekijk de bijbehorende video:

Dit fotoverhaal is toegestuurd door Medair



Discussie over Aangrijpend fotoverhaal: het verhaal van een vluchteling
Reacties uitzetten op CIP.nl? Klik hier!