Levensverhaal

14 december 2016 door Wilfred Hermans

"Als je je leven riskeert, ben je toch nog geen held?"

Theologe en oud-verzetsstrijdster Hebe Kohlbrugge is deze week op 102-jarige leeftijd in haar slaap overleden. Ze zette tijdens de Tweede Wereldoorlog een illegale verbindingslijn op met Zwitserland. Kolhbrugge kreeg daar na de oorlog de Bronzen Leeuw voor en de Amerikaanse Medal of Freedom. Journalist Wilfred Hermans interviewde haar recent voor zijn boek 'Het laatste woord, levenslessen van grijze wijzen.' Lees het hier. "Corrie ten Boom? Corrie is Corrie. We waren erg verschillend en dachten ook erg verschillend."


“Ik wil u graag van dienst zijn,” zegt een krakende stem aan de telefoon, ”maar zoals u weet ben ik al honderdtwee. Ik ben nog helemaal bij en mijn geest is nog jong, maar mijn hersens zijn oud.” Een welwillend lachje. Gelukkig, want deze Hebe Kohlbrugge (1914) – Neerlands hoogst gedecoreerde verzetsheldin die nog leeft – staat eerder bekend als kordaat dan welwillend.

Als ik eenmaal in haar Utrechtse woning aan de Tweede Kortebaanstraat voor haar sta – spierwitte lokken, kraaloogjes en enkele turfjes hoog – kan ik me al wat meer voorstellen bij dat kordate karakter. Mevrouw Kohlbrugge lijkt enige haast te hebben. In de woonkamer staat een oude typmachine met een half beschreven A4’tje. Gedurende het gesprek word ik soms een klein beetje bang van haar, alsof ze me elk moment verveeld de deur kan wijzen. Toch doet ze dat niet, voor een minuut of vijftig. Daarna is het schluss. Gelukkig kan er tussen- door zomaar een glimlach over haar gezicht glijden, wat haar terstond een bijzonder sympathieke uitstraling geeft.


We nemen plaats in de achtertuin, op wiebelige tuinstoeltjes aan een kleine, ronde tafel. Ze geniet nog erg van haar tuin, vooral van de bremstruik. De meeste vragen beantwoordt de verzetsheldin kort, om me vervolgens rustig aan te kijken, in afwachting van de volgende vraag.

Hoe gaat het met u?
“Best.”

Het lijkt alsof u tegenwoordig wat vaker interviews geeft dan vroeger. Klopt dat?
“Nee, hoor. Dat hangt ervan af of iemand me iets vraagt. Als niemand iets vraagt, zeg ik ook niks.”

Wat doet u zoal in het dagelijks leven?
“Ha! Werken. Ik woon nog alleen, heb nog een huis, en alles gaat wat langza- mer als je ouder wordt. Voor je eten zorgen, afwassen, ga maar door. Best een klus. Een keer per week heb ik een werkster. Ik spreek ook nog weleens voor groepen. Laatst nog op een golfclub, maar vaker in schoolklassen. Ze luisteren altijd heel aandachtig, leuk om daar te zijn. Een jochie uit groep acht stak een keer zijn vinger op. ‘Hebt u weleens iemand doodgeschoten?’ Ik zei: ‘Nee, dat heb ik nooit.’ Vond ‘ie teleurstellend. Een ander jochie: ‘Maar u had zeker wel altijd een pistool bij u?’ ‘Nee, nooit’, zei ik.
"Een jochie uit groep acht stak een keer zijn vinger op. ‘Hebt u weleens iemand doodgeschoten?’ Ik zei: ‘Nee, dat heb ik nooit.’ Vond ‘ie teleurstellend."

Ik vind het belangrijk dat ze horen dat ik Israël belangrijk vind, en dat wij medeschuldig zijn aan wat er met de Joden is gebeurd. Dat weten de meeste Nederlanders niet, we doen het graag voorkomen alsof we een blanke lei hebben. Maar we hebben geen nee gezegd tegen dat formuliertje, die ariërverklaring waarop je moest aangeven of je wel of geen Jood was. Wie tekende, maakte zich medeverantwoordelijk voor die formulieren, terwijl men had moeten zeggen: ‘Dat gaat u geen flikker aan, barst maar!’

Ik kan je het verhaal vertellen van een Joods meisje. Ze werd opgepakt met haar ouders, maar ze kon vluchten. Haar vader zei: ‘Hier moet je eruit springen!’ Hij stopte haar een papiertje toe met vier adressen waar zijn dochter volgens hem terecht kon. Alle vier zeiden ze: bij mij niet, bij mij niet, bij mij niet, bij mij niet. Toen ze bij de vierde werd weggeschopt, is ze maar zelfstandig naar Westerbork gereisd. Een andere plek wist ze niet. Ja, ook dat is Nederland.

Ook vertel ik graag dat honderd procent communistische meisjes mij geholpen hebben. Op appel had ik niets, geen kous, geen broek. De kou in Ravensbrück was vreselijk, maar die meisjes zorgden ervoor dat ik kleding kreeg. Kleine dingen, maar eigenlijk grote dingen.

Verder ben ik de afgelopen tijd bezig geweest met de vijf boeken van Mozes. Zojuist heb ik Deuteronomium afgesloten, daar heb ik jaren aan gewerkt, in het Duits. Ik wil er voor mezelf meer van weten, en ik stuur de exegeses op naar mijn vrienden in de vroegere DDR en Tsjechië. U weet dat ik daar gewerkt heb, en daar heb ik vrienden aan overgehouden. In de communistische jaren hebben zij daar niets van de modernere theologie meegekregen. Daarom vind ik het leuk de vijf boeken van Mozes voor hen te schrijven, vanuit de commentaren die mij aan het hart gaan.”

Is de Bijbel belangrijk voor u?
“Jazeker! Als ik met die vijf boeken van Mozes bezig ben, ben ik natuurlijk met de Bijbel bezig. Mozes zegt heel duidelijk: ‘Ik leer u de weg ten léven, niet de weg ten dode.’ Nou, ik wil wel de weg ten leven leren. Mozes zegt dat als je de armen en achtergestelden niet helpt, je van de weg ten leven afraakt.”
"Nou, ik wil wel de weg ten leven leren."

Ook omdat u Bijbels hebt gesmokkeld naar Roemenië dacht ik: blijkbaar vindt u het een belangrijk boek.
“Ja, al was dat ook omdat ze het zelf graag wilden. Men moet het wel graag wil- len. Er waren daar bijna geen bijbels meer. Ik begrijp dat u al met het interview bezig bent? Nou, gaat uw gang. We zullen de tijd erbij houden, want ik heb niet al te lang tijd, tot vier uur hoogstens.”

U hebt een scherpe geest en doorziet complexe zaken, las ik over u.
“Dat zal wel.”

Over de Tweede Wereldoorlog zeggen we vaak: dit nooit meer. Heeft u het idee dat zoiets ook nooit meer zal gebeuren?
Verontwaardigd: “Het is nu toch weer overal aan de gang? En laten we wel we- zen: wij gingen naar Indonesië om te moorden. Kun je dan zeggen: dit nooit meer? Maakt het soms uit of je door de nazi’s werd vermoord, of als Indonesiër door de Nederlanders? Hoe meer je erover leest, hoe meer je ziet dat we daar schandelijk te werk zijn gegaan. Dus om ‘dit nooit weer!’ te roepen, vind ik heel goedkoop.”

Zijn er onderwerpen waar u zich momenteel over opwindt?
“Je kunt je overal over opwinden, maar dat heeft geen zin. Of ik hier boos zit te worden, dat verandert niets. Bij meneer Rutte niet, bij niemand.”

U maakte zich wel druk om de situatie van de Palestijnse gebieden in Israël. Nog steeds?
“Ja. Ik vind het heel erg jammer dat Israël geen manier vindt om rechtvaardiger met de Palestijnen om te gaan. Dat vind ik heel erg sneu en het kan volgens mij op den duur niet zo blijven. Israël is Israël, en als Israël een verkeerde weg inslaat, is dat heel erg. En het gaat alleen maar bergafwaarts, als ik de krant lees.”

U schreef in 2005 met een aantal PKN’ers een zeer kritische open brief over de dialoog met de islam. Dat onderwerp is onveranderd actueel. Als u nu weer zo’n brief zou schrijven, wat zou daar dan instaan?
“Je weet dat de islam uiterst gevaarlijk is, en dat de doorsnee Nederlander dat helemaal niet begrijpt. Onze regering heeft er van meet af aan ook niets van begrepen, ook niet toen ze er nog wat aan had kunnen doen. Nu is het bijna te laat, als het niet al te laat is.”
"Je weet dat de islam uiterst gevaarlijk is, en dat de doorsnee Nederlander dat helemaal niet begrijpt. Onze regering heeft er van meet af aan ook niets van begrepen."

Wat is het gevaar dan precies?
“Toen hier nog geen vluchtelingen waren, hebben wij moslims als arbeiders binnengehaald. We gingen naar Marokko en zeiden: ‘Kom jongens, kom!’ Nu zeggen we: ‘Kutmarokkanen.’ En als we het niet zeggen, denken we het. Dus: het is onze eigen schuld. We hadden van meet af aan kunnen zeggen: ‘Je kunt hier enkele jaren werken, en dan weer terug. En geen complete gezinnen hier- naartoe.’ Of ze onze cultuur veranderen? Dat interesseert me niet, maar wel dat ze doen wat volgens Deuteronomium niet mag: je afwenden van God, en je toewenden naar een on-God: Allah.”

In wat voor gezin bent u opgegroeid? Hoe was de sfeer?
“Leuk, gezellig. Vijf kinderen. Mijn ouders waren rechtdoorzee, en dat heb ik meegekregen. Dat je in de illegaliteit ging, was vanzelfsprekend. Vader en moe- der waren te oud, maar ze stonden honderd procent achter ons. Misschien wa- ren ze weleens bang, maar dat kwam niet ter sprake.”

Meerdere mensen in dit boek beweren dat ze de ernst van de oorlog lange tijd niet doorhadden. Vaak beseften ze zelfs pas ná de oorlog hoe erg het was. 
“Sufferds. Eigen schuld, je kon het van alle kanten merken. Ten eerste werd Vrij Nederland heel ruim verspreid, daar stond het allemaal in. Later volgden illegale bladen als Trouw en Het Parool. Ik kan begrijpen dat men lang niets wist van de gaskamers in Auschwitz, daar was in het begin nog weinig over bekend, maar er was genoeg bekend over kampen, gevangenissen en andere ongerechtigheden. Als je nooit zo’n krantje las, was dat je eigen schuld. Als ik vandaag niets weet over de vluchtelingencrisis, is dat ook mijn eigen schuld. De meesten kenden ook wel iemand die op transport was gezet. Dus mensen die beweren dat ze van niets wisten, verdienen een pak slaag.”
"Mensen die beweren dat ze van niets wisten, verdienen een pak slaag."

U hebt in kamp Vught en vrouwenkamp Ravensbrück gezeten. Daar moest u voor de baby’s zorgen, maar die overleden vaak omdat er geen eten was; de moe-ders hadden geen melk meer. Hoe was dat voor u, als vrouw?
“Op zichzelf was het fijn dat ik iets kon doen voor een ander, maar die vrouwen kon ik niet helpen. Er stierven dagelijks baby’s, soms twee op een dag. Zoiets gaat tegen je natuur in, ja, vooral als moeders vertellen dat hun kindje het laat- ste is wat ze hadden.”

Hoe bent u hier na de oorlog mee omgegaan? Zat het u niet enorm in de weg?
“Ik heb gewoon doorgeleefd. Ik ben niet zo van het nadenken over dit en over dat. Ik leef zoals ik denk dat het moet, van dag tot dag. Nee, ik heb niks verdrongen.”

Welke gebeurtenis uit de oorlog heeft de meeste indruk op u gemaakt?
“Moeilijk te zeggen. Als je hoort dat je vader met een pistool in zijn nek een half uur lang over de hei gedreven is, nou ja, dat doet je wel wat. Maar ja, het is goed afgelopen. En als vriendjes van je worden doodgeschoten, dan gaat je dat ook niet in je kouwe kleren zitten. Maar je kunt niet over elke executie vréselijke drama’s maken, daarvoor was de oorlog te ruw. Het gebeurde aan de lopende band.”

Tegenwoordig zou je na zo’n traumatische ervaring hulp krijgen.
“Ja, een psycholoog. Laat ze thuisblijven.”

U hebt Dietrich Bonhoeffer van dichtbij meegemaakt. Wat was hij voor iemand?
“Sja. Wat bent u voor iemand?”

Hij is natuurlijk voor velen een bron van inspiratie.
“Ja, maar u moet niet vergeten dat ik in het hart van de Bekennende Kirche1 werkte. Daar had je niet alleen Bonhoeffer, maar ook Niemöller en allerlei men- sen die u helemaal niet kent, maar die niet minder belangrijk of indrukwekkend waren. Iedereen vraagt altijd naar Bonhoeffer. Mensverheerlijking? Een beetje. Ach, best als hij voor Nederland veel heeft betekend, maar dan ligt het niet op mijn weg om erover te praten.”

Voor Corrie ten Boom, met wie u samenwerkte in kamp Ravensbrück, geldt dan zeker hetzelfde?
Opgetrokken wenkbrauwen. “Corrie ten Boom? Corrie is Corrie. We waren erg verschillend en dachten ook erg verschillend.”

Hoe dan?
Met nadruk: “De communisten zaten het langst in het kamp. Die hadden kans op een betere baan, zoals het schoonmaken van de huizen van SS’ers. Er waren communistische, niet-gelovige meisjes die de moed hadden om tijdens het schoonmaken medicijnen te stelen. Daarmee riskeerden ze hun leven; het is een wonder van God dat die meisjes niet tegen de lamp gelopen zijn. Ze wisten dat Corrie eerlijk was, dus ze legden die medicijnen op een plek waar Corrie vaak kwam. Corrie vond de medicijnen en deelde ze keurig uit, daar ontbrak niets aan. Ze zei, met de handen in de lucht: ‘God stuurt deze medicijnen uit de hemel!’ Dat vond ik flauwekul. Die meisjes regelden dat toch? De Lieve Heer regende toch geen pilletjes?”
"Er waren communistische, niet-gelovige meisjes die de moed hadden om tijdens het schoonmaken medicijnen te stelen. Daarmee riskeerden ze hun leven; het is een wonder van God dat die meisjes niet tegen de lamp gelopen zijn."

Misschien gaf hij die meisjes wel de moed om het te doen. 
Fel: “Quatsch, allemaal quatsch!”

Ziet u dan ook niet de hand van God in alle goede dingen die ú hebt gedaan? 
“Jawel, maar ik zou nooit zeggen: God gaf mij die pillen uit de hemel. Dat dééd Hij niet, ik moet het niet verdraaien. Ik vond het vreselijk hoe het ging toen Corrie haar zuster verloor: op de appelplaats werd afgeroepen dat Corrie en haar zusje vrijgelaten zouden worden, maar haar zusje was die nacht overleden. Wij dachten dat het voor Corrie haast onmogelijk was om onder die omstan- digheden het kamp te verlaten, dus we stonden naast haar om haar te troosten. Maar Corrie riep: ‘Het is de wil van God!’ Dat haar zuster gestorven was. Nou, dat kan niet.”
"Ik zou nooit zeggen: God gaf mij die pillen uit de hemel. Dat dééd Hij niet, ik moet het niet verdraaien."

Waren jullie vriendinnen?
“Nooit. We ontweken elkaar een beetje.”

Ik dacht dat ze wel een inspiratiebron voor u geweest was.
“Ze was niet inspirerend, voor mij althans niet. Ze heeft trouw die pillen uitgedeeld en voor mensen gezorgd, en ze heeft een stuk of twaalf Joden in huis genomen. Daar neem ik mijn pet voor af, maar inspirerend vind ik iets anders. Ze deed goede dingen, maar wat mij betreft ging er niet iets van haar uit.”

Wie vindt u dan wel inspirerend?
“Die kent u allemaal niet. Mensen van de Bekennende Kirche; iemand die tegen de wil van een totalitair regime in durft te gaan, die noem ik inspirerend. Als je tegen de stroom in durft te gaan.”

Vindt u uzelf eigenlijk een heldin?
“Nee, ik weet niet eens wat een held is. Ik ben nog nooit een held tegengekomen. Als je je leven riskeert en tegen de stroom ingaat, dan ben je toch nog geen held? Dan doe je wat je doen moet.”

Na de oorlog hebt u verzoening met de Duitsers gestimuleerd. Hoe pakte u dat aan?
“Er ging een commissie van de Hervormde Kerk naar Duitsland – u weet: wij doen altijd alles in commissies – en die zag hoe ontredderd het land was; niet alleen de huizen, ook de mensen. Dat hebben wij ons nooit gerealiseerd. Wij vonden als kerk dat we niet rustig op ons eiland konden blijven. Ik werd de secretaris van die commissie en heb een groep Duitsers uitgenodigd om een week naar Nederland te komen. We organiseerden lezingen door de beste mensen die we hadden. Ik heb het met vreugde gedaan.”

‘De zaak van vrijheid en waarheid.’ Daar draaide het volgens u om in het verzetswerk, en die twee zijn volgens u gefundeerd in het christelijk geloof. Legt u dat eens uit?
“In het christelijk geloof ligt besloten dat ik mijn naaste serieus neem. Als ik dat doe, moet ik hem vrijheid gunnen, zoals hij mij ook vrijheid moet gunnen. Ik vertrouw mijn naaste dus niet toe aan de politie, maar aan de vrijheid.”

Kunnen we ons op een bepaalde manier voorbereiden op een oorlogssituatie? Kunnen we ons bijvoorbeeld trainen in dapperheid?
“Tot op zekere hoogte. Ik kan nu al duidelijk leven in het besef dat ik in de waarheid wil leven. Maar trainen? Dat is moeilijk.”

U woonde hier veertig jaar met uw zus. In 1999 is zij overleden...
Met de nadruk op de ‘r’: “Overreden. Hier vlak voor de deur. Of ik haar nog weleens mis? Natuurlijk. Je was altijd met z’n tweeën, nu ben je alleen. Het is net als iemand die zijn echtgenoot verliest. Je kunt niet meer over grote en kleine dingen praten. Je kunt niet meer zeggen: ‘Kijk wat mooi, die brem.”

Hebt u ook daarna nooit overwogen een man te zoeken?
“Nee, een man heb ik nooit gezocht.”

Geen tijd?
“Geen zin.”

Iedere vrouw wil toch een man, of niet?
Beslist: “Nee.”

Bent u ook nooit verliefd geweest?
“Jawel, toen ik jong was, maar verder niet. Nee, ik heb niet doorgepakt, ik wilde graag mijn werk doen.”

Hoe kijkt u naar de tijd die u nog rest?
“Ik kijk helemaal niet, ik leef van dag tot dag.”

Denkt u weleens na over de dood?
“Helemaal niet. Ik leef.”

En over de hemel? Hoe hoopt u dat het daar zal zijn?
“Daar denk ik niet over na, dat zijn toch praatjes. Dominee Miskotte zei een keer dat hij als klein jongetje dacht dat hij op een wolk zou zitten met een trompetje. Nou, zoiets kan ik ook bedenken. Maar ik denk toch niet – net als in de islam – dat ik straks alleen maar lekker zal eten en drinken? Ik weet er niets van en het gaat me niet aan ook. God heeft geen antwoord gegeven, dan moet ik ook geen antwoord willen geven.”

Wat zou u aan jongere gelovigen willen meegeven?
“Dat ze meer moeten lezen. Dat er schitterende boeken bestaan, van bijvoorbeeld de eerste president van Tsjechië, Václav Havel: Versuch, in der Warheit zu leben. Dat zijn boeken waaruit je leert hoe je kijken moet. Maar wij lezen niet meer. Ik sprak laatst een rechtenstudent en vroeg haar: ‘Wat lees je zoal?’ Ze zei: ‘Lézen? Ik lees toch niet meer?!’ Er is natuurlijk ook een hoop rommel, maar je moet zorgen dat je de goede boeken te pakken krijgt. Die moet je lezen. Dan leer je je weg.”

Lukt dat alleen via boeken?
“Het kan ook via aardige mensen – of vervelende mensen, weet ik het. Maar ik kan wat waarheid betekent nooit zo helder krijgen als wanneer ik Havel lees.”
"Jongeren moeten meer lezen. Er is natuurlijk ook een hoop rommel, maar je moet zorgen dat je de goede boeken te pakken krijgt.

Heeft u al een idee wat er op uw grafsteen mag komen te staan?
“Niets, want die staat er al, in Amerongen. Daar heeft mijn vader de steen geplaatst, en dat is voldoende voor onze familie. Er staat op: ‘Ik geloof in de wederopstanding der doden en een eeuwig leven’, en verder alleen de naam Kohlbrugge. Geen datum.”

Hartelijk dank voor uw tijd. Mag ik nog terugkomen voor een tweede gesprek?
“Niet graag. Ik heb het voor mijn leeftijd erg druk.” 

CIP+ logo

Christenen die meer diepgang willen kiezen voor CIP+

Je las net een gratis CIP+ artikel. Meld je aan en start je gratis maand.

Start je gratis maand

Start het gesprek

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
Vakanties
Hier adverteren?
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals

Beluister onze Podcast!

iTunes Stitcher