Nieuws

01 december 2008 door Rik Bokelman

Willem Ouweneel: "Het lijkt alsof ik wispelturig ben"

De één vindt hem een dwaallicht, de ander hangt aan zijn lippen. Prof. dr. Willem Ouweneel (64) houdt de christelijke gemoederen al jaren flink bezig, vooral omdat hij op een paar punten van mening is veranderd. We nemen hem mee naar een plek van bezinning en praten met hem om over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt.
 
De ontmoetingsplek is landgoed Oostbroek. De kloostertuin met boomgaard en kruidentuin herinnert aan een Benedictijns klooster dat in 1121 door twee bekeerde ridders werd gesticht. In 1580, na de reformatie, werd het weer afgebroken. Maar nog steeds is het gebied een oase van rust tussen de drukte van Utrecht en De Bilt. De lucht geurt naar rozemarijn, lavendel en tientallen andere kruiden. Hoewel het lastig is dat op te merken met Ouweneel aan je zijde: voor je het weet, ben je verwikkeld in diepe filosofische gesprekken, die alle aandacht opeisen.

Onthaasten
Ouweneel kent het landgoed van vroeger, maar hij ging hier niet heen om de rust te zoeken. In een eerder Visie-interview zei hij dat hij wel wat meer innerlijke rust wilde. Hoe is het nu met de rust gesteld van de man die al meer dan honderd boeken op zijn naam heeft staan? “Móet je dan rust hebben?” reageert hij ad rem. Het antwoord typeert de schrijver. Eigenlijk vindt hij onthaasten een modewoord. “Druk zijn is iets anders dan stressen. Druk zijn is helemaal niet erg, dat is de aard van het beestje. Als je mij dwingt om rust te nemen, word ik juist zenuwachtig. Op vakantie heb ik vijf dagen nodig om te ‘onthaasten’. Dan zit ik nog dagenlang te werken achter mijn laptop, tot ik er langzamerhand geen zin meer in heb.”

Ouweneel is van oorsprong bioloog, maar ook gepromoveerd in de filosofie en de theologie. Tegenwoordig doceert hij onder meer aan de Evangelische Hogeschool Amersfoort en schrijft hij vooral over theologische onderwerpen. “Sommige mensen weten veel over heel weinig, ik weet weinig over heel veel,” glimlacht hij. In een aantal van zijn nieuwere publicaties beweert hij het tegenovergestelde van wat hij vroeger zei (zie kader pag. 19). Dit maakt hem volgens critici ongeloofwaardig. Een overdreven reactie, vindt de professor. Bovendien meent hij dat sommige media hem verkeerd belichten.
“Soms hebben journalisten een idee in hun hoofd en misbruiken ze hun slachtoffer om dat te bevestigen. Uit sensatiebelustheid leggen ze nadruk op de dingen die zijn veranderd, waardoor het lijkt alsof ik wispelturig ben. Daar word ik een beetje moe van. Maar ik denk over de basale dingen nog steeds hetzelfde. Kijk daar liever naar.”
Toch geeft Ouweneel toe dat hij een ontwikkeling heeft doorgemaakt. “Dat heeft te maken met ouder worden. Ik heb nu meer tijd om kwesties te bestuderen. Als je jong bent, ben je nog gevormd door anderen en heb je weinig tijd om zelf na te denken. Dus als iemand zegt: ‘Ik ben vanaf mijn twintigste nooit van mening veranderd,’ dan gruw ik daarvan. Hoe kan je met twintig alles al weten, dan heb je nog nooit zelf nagedacht!”


Uiten
Ouweneel dankt zijn ontwikkeling ook aan de tijdgeest. “Vroeger wisten we het allemaal zeker. Het was een heel stellige tijd. Nu hebben we niet meer zo de behoefte om ons af te zetten en denken we veel genuanceerder. Hoewel ik iemand blijf die zijn standpunten graag helder uiteenzet.”
De bevlogen professor geeft toe dat die stelligheid te maken heeft met zijn persoonlijkheid. “Er zijn mensen die veel langer wachten met publiceren. Die werken twintig jaar aan een boek en komen dan tot een kloppende conclusie. Zo zit ik niet in elkaar. Ik begon op mijn dertiende met boeken schrijven – gelukkig zijn die nooit uitgebracht –, want ik wilde mezelf uiten. Met als gevolg dat ik wel eens op mijn gezicht ga, als ik ontdek dat dingen anders zijn dan ik dacht.” Hij poneert een stevige stelling: “Onder je dertigste moet je eigenlijk geen boeken schrijven.” Na wat rekenwerk ontdekt de professor dat hij zelf een jaar ouder was toen zijn eerste boek uitkwam. “Sindsdien ben ik qua karakter voorzichtiger en milder geworden, hoewel sommigen dat zullen ontkennen.”


Rolstoel
Over genezing is hij niet voorzichtiger geworden. Hij gelooft niet dat God iedere zieke geneest, maar is wel een groot voorstander van genezingdiensten. In 2003 bracht hij het boek Geneest de zieken uit, waarmee hij veel lof én kritiek oogstte. Ouweneel leidt tegenwoordig genezingsdiensten, werkt af en toe samen met evangelist Jan Zijlstra en vindt dat er meer nadruk moet liggen op het ‘proclameren’ van genezing. “De Bijbel roept ons niet op om te bidden voor genezing, maar om mensen te genezen. Dat betekent dat je niet moet zeggen: ‘Here Jezus, wilt U deze persoon genezen?’ maar moet proclameren: ‘Genees in de Naam van Jezus.’”
Hij gelooft ook dat sommige zieken niet beter worden, omdat ze het niet echt willen. “Er zijn mensen die wel met hun verstand willen genezen, maar niet met hun gevoel. Ze staan op uit hun rolstoel, lopen een rondje, en gaan weer zitten. Hun ziekte is hun identiteit geworden, want ze krijgen er bijzondere aandacht door.”

Dat klinkt hard. Bent u niet bang dat u daar zieke mensen mee kwetst?
“Weet je hoeveel genezingssamenkomsten ik leid en met hoeveel zieken ik omga?” reageert Ouweneel fel. “Je kunt me niet beoordelen op wat ik schrijf, want dat is alleen theorie. Kom naar mijn samenkomst; dán zie je hoe de praktijk werkt. Ik theoretiseer niet alleen maar. Ik proclameer genezing en leg soms een arm om de schouder van een zieke. Maar daar lees je geen verslagen over.”


Aard
Tijd om de benen te strekken en het gesprokene te laten landen. Een schelpenpad leidt ons van de kruidentuin naar het indrukwekkende landkasteel zelf. Iets verderop kronkelt een knokkelbrug door het dichtbeboste gebied. Ouweneel drukt zijn hoed stevig op zijn hoofd. “Die heb ik altijd op als de ‘r’ in de maand zit,” en hij steekt weer van wal. Voor hem geen bezinning zonder gesprek.
“Zo ging het ook tijdens mijn reis naar Santiago de Compostella in 2005,” vertelt hij met jongensachtige pretoogjes over de reis waarop zijn roman De vrouwe van de Camino (2006) is gebaseerd. “Ik ondernam die pelgrimstocht om tot rust te komen en had mezelf heilig voorgenomen de hele dag bezinnend bezig te zijn. Maar ja, ik kwam zoveel interessante mensen tegen dat ik al gauw weer de hele dag aan het oreren was.” De nonnen die hij ‘s avonds in de kloosters ontmoette, brachten weer evenwicht tussen stilte en gesproken woord. “Engelen met prachtige stemmen waren dat. En ze verzorgden ons ontzettend goed. Het geheel maakte dat ik die reis als heel bezinnend heb ervaren.”
Ouweneel die op bedevaartstocht gaat en met nonnen praat, is een minder bekende kant van de professor. Hij heeft meer kanten dan mensen denken, legt hij uit. “Je moet mijn zondagse preken horen, dan ben ik veel gevoeliger dan in mijn publicaties. Ik kan ook heel bewogen zijn. Ik heb elf kleinkinderen. De Ouweneel die met zijn kleinkinderen naar de Efteling gaat, is een andere meneer dan de Ouweneel die Geneest de zieken schrijft. Maar dat ik veel redeneer, is ook de aard van het beestje. Mijn vrouw is een zeer pastoraal wezen en ik ben een leraar; ik heb een leraarsbediening. We vullen elkaar prachtig aan.”

Goeroe
Het volgende rustpunt op onze wandeling is een monument ter nagedachtenis aan het klooster dat hier ooit stond. Onder de gotische glazen boog neemt Ouweneel plaats op een bankje. Zijn woorden klinken hier voller en luider vanwege de prachtige akoestiek. Hij gaat als vanzelf zachter en voorzichtiger praten. Zou hij dat niet vaker moeten doen als gezaghebbend figuur in Nederland, voor velen een ‘goeroe’? “Dat denk ik wel eens, maar of ik het ook doe... Volgelingen van goeroes hebben een eigen verantwoordelijkheid. Lezers moeten mijn beweringen toetsen aan de Schrift. Mijn boeken zijn nogal ingewikkeld, daarom acht ik de mensen die ze lezen in staat om zelf te beoordelen of ze het ermee eens zijn. Bovendien is het geen schande om ergens op terug te komen. Augustinus schreef aan het eind van zijn leven een boek, Retractationes, waarin hij alles opsomde waar hij anders over was gaan denken.
Zelf heb ik ook heel wat goeroes gehad. Langzamerhand ging ik op mijn eigen benen staan, en ondervond tot mijn grote schrik dat anderen me als goeroe beschouwden. Terwijl ik nog steeds wel eens de behoefte heb om iets te vragen aan een ouder en wijzer iemand. Maar die personen die een generatie ouder zijn dan ik, zijn bijna allemaal overleden.”

Hebt u spijt van uw stevige uitspraken?
“Nee. Ik heb wel spijt dat ik pinkstermensen heb aangevallen in Het domein van de slang. Ik heb die mensen gekwetst en in een hoek gezet; gelukkig hebben ze me vergeven. Maar ik heb geen spijt van mijn uitspraken over het creationisme. Ik ben daar genuanceerder over gaan denken en dat is een boeiend ontwikkelingsproces.”

Dat ontwikkelingsproces heeft veel mensen verward.
“Als iemand naar mij toekomt met tranen in de ogen en zegt: ‘Ik dacht altijd dat ik op u kon vertrouwen,’ dan zeg ik: ‘O meneer, het spijt me verschrikkelijk. Echt.’ Maar ik kan me niet herinneren dat ik dat soort mensen ben tegengekomen. Er is maar een heel klein groepje dat over me zeurt, alleen schreeuwen die mensen heel hard.” Dit zit Ouweneel wel dwars. “Hun kritiek lees ik meestal niet. Ik lees wel reacties van mensen die het gewoon met me oneens zijn en die me uitleggen waarom, want daar leer ik van. Maar geen publicaties van personen die me op een gemene manier onderuithalen en me woorden in de mond leggen. Ik word daar nogal verdrietig van. Aan de andere kant, wie zijn mond opendoet, kan kritiek verwachten.”

Gigantisch
De kritiek weerhoudt Ouweneel er niet van om door te schrijven. Hij is nu bezig met een ‘dogmatische reeks’: tien boeken van een slordige vijfhonderd bladzijden per stuk over de evangelische leerstellingen. “Ik ben dankbaar dat ik dat tien jaar geleden niet heb gedaan. Dan had ik nu zoveel dingen moeten betreuren. Over tien jaar is dat misschien weer zo, maar dan heb ik wellicht niet meer de fysieke en geestelijke fitheid om zo’n gigantisch project te ondernemen. Ik heb er niet bewust voor gekozen om die reeks nu pas te schrijven, maar het is gewoon zo gelopen. Daar zie ik Gods leiding in.”

Veranderd
Er is een aantal spraakmakende punten waar professor Ouweneel over van mening is veranderd, waaronder:
• Gebedsgenezing: eerst dacht Ouweneel dat dit alleen in de tijd van de Bijbel voorkwam, tegenwoordig gelooft hij dat het nu ook gebeurt. Ouweneel: “Een omwenteling van 180 graden.”
• Pinkstergemeente: hij keerde zich aanvankelijk fel tegen deze gemeentes en vond tongentaal demonisch. Daar heeft hij nu spijt van.
• Politiek: een paar decennia geleden vond hij dat een christen zich absoluut niet met politiek moest bezighouden; een tijdje later stond hij zelf op de lijst van de toenmalige RPF.
• Creationisme: vond hij eerst dat je de scheppingsdagen van Genesis 1 letterlijk moest zien als dagen van 24 uur, nu gelooft hij dat je ze ook anders kunt opvatten. Bovendien vindt hij dat het creationisme “nogal wat steken heeft laten vallen”.


‘Onder je dertigste moet je eigenlijk geen boeken schrijven’

Door: Karin de Geest
Bron: EO visie

Start het gesprek

Alleen CIP+ leden kunnen reageren op artikelen. Word ook CIP+ lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen
Vakanties
Hier adverteren?
New Faith Network
NFN Originals Films
bekijk alle originals

Beluister onze Podcast!

iTunes Stitcher